Parodontitis is erger bij mensen met kreupel cathepsine-C-gen

Het wordt steeds duidelijker dat genetische factoren een rol spelen bij het ontstaan van tandvlees- en kaakbotziekten, in vaktermen parodontitis. Dat blijkt uit het proefschrift van de biochemica Susanne de Haar, werkzaam aan het Academisch Centrum Tandheelkunde Amsterdam (ACTA). Ze promoveerde in oktober aan de Universiteit van Amsterdam.

Bij parodontitis gaat het om zowel acute als chronische ontstekingen van de weefsels die de wortels van onze tanden en kiezen omgeven en die uiteindelijk leiden tot verlies van tanden en kiezen. Ongeveer 10 à 20 procent van de bevolking loopt een hoog risico deze afwijking te krijgen. Welke factoren beslissend zijn, is onduidelijk.

In het verleden zocht men vooral naar bacteriën die in dit ziekteproces een rol spelen en de manier waarop deze konden worden verwijderd. De Haar koos voor een andere optie, de genetica. Zij richtte haar onderzoek op een zeldzame aandoening (één op de vier miljoen mensen), het Papillon-Lefèvre Syndroom (PLS). Dit erfelijk bepaalde syndroom wordt onder meer gekenmerkt door een zeer ernstige vorm van parodontitis die, in tegenstelling tot andere typen van deze mondziekte, al op zeer jonge leeftijd uitbreekt. Jarenlang genetisch onderzoek bij deze patiënten wees uit dat de aandoening samenhangt met mutaties in een bepaald gen met de naam cathepsine C.

Eerder onderzoek bij muizen wees uit dat dit gen meerdere enzymen kan activeren die van invloed zijn op de afweer tegen bacteriën. De Haar vroeg zich af of deze enzymen ook een bepaalde rol zouden kunnen spelen bij de bestrijding van micro-organismen die te maken hebben met het ontstaan van parodontitis. Daartoe verzamelde zij (met veel moeite) vier niet-verwante families, afkomstig uit België, Iran en Pakistan. Van deze patiënten werd bloed afgenomen waaruit witte bloedcellen, die immers een belangrijke rol spelen in ons immuunsysteem, werden geïsoleerd met daarin de eerder genoemde enzymen. Vervolgens werden deze bloedcellen samengebracht met mondbacteriën waarvan bekend is dat zij parodontitis kunnen veroorzaken. Met name betrof het de bacterie Actinobacillus actinomycetemcomitans (Aa).

Na vergelijking met een controle groep bleek dat in het bloed van de PLS-patiënten meer van deze pathogene mondbacteriën werden aangetroffen. Dat leek er op te wijzen dat in het immuunsysteem van de familieleden met PLS, voor wat betreft het ontstaan van parodontitis, gebreken aanwezig moesten zijn. De Haar zocht de oorzaak van dit falen vooral in het feit dat, door mutaties in het cathepsine C gen, enzymen die een rol spelen bij de afweer tegen deze bacterie niet functioneren. Door dit verschijnsel heeft Aa in feite vrij spel, met als gevolg de ernstige tandvlees- en kaakbotziekte.