Operatie geneest Parkinson niet maar helpt wel

Diepe hersenstimulatie, een veel toegepaste operatie voor patiënten die al lang aan de ziekte van Parkinson lijden, tast de oorzaak van de ziekte niet aan. Maar de ingreep leidt wel tot sterke vermindering van klachten als onbeheersbare trillingen en spierstijfheid. Dit blijkt uit onderzoek waarop de neuroloog Axel Portman op 2 november in Groningen promoveerde.

De ziekte van Parkinson is een van de meest voorkomende degeneratieve hersenziekten. Patiënten lijden aan ernstige klachten aan het bewegingsapparaat, zoals hevige bevingen en spierstijfheid. De symptomen ontstaan als gevolg van een onomkeerbare degeneratie van cellen in de substantia nigra, een deel van de middenhersenen. Deze cellen produceren de neurotransmitter dopamine. De verminderde hoeveelheid dopamine verstoort de normale activiteit in bepaalde delen van de hersenen. Eén daarvan is de subthalamische kern (STN), een hersenkern ter grootte van een flinke rijstkorrel, die overactief wordt. De cellen in deze kern produceren een andere neurotransmitter, glutamaat. De overproductie daarvan ontregelt de motorische hersenschors die de lichaamsbewegingen aanstuurt en houdt de celsterfte in de substantia nigra in stand.

De ziekte is goed te behandelen met het middel Levodopa, dat in het lichaam wordt omgezet in dopamine. Zo blijft de hoeveelheid dopamine in de hersenen op peil. Helaas is dit effect tijdelijk. Daarom kijken neurologen uit naar behandelingen die het ziekteproces bij gevorderde Parkinsonpatiënten kunnen keren. De afgelopen jaren gold `diepe hersenstimulatie' als een hoopvol alternatief. Dat is een hersenoperatie waarbij in de schedel een gat ter grootte van een eurocent wordt geboord. Door dit gat wordt een uiterst kleine elektrode naar de STN gevoerd. De elektrode is verbonden met een soort pacemaker die in de wand van de borstkas wordt aangebracht en die af en toe een stroompje afgeeft dat de overactieve STN moet temmen. De operatie heeft zonder meer effect, maar, zo vroeg Portman zich af, komt dit doordat het toenemende verlies aan dopamineproducerende cellen wordt vertraagd of zelfs stopt?

Voor zijn onderzoek selecteerde Portman in samenwerking met de universiteit van Keulen 30 Parkinsonpatiënten die voor deze operatie waren geselecteerd. Vóór de operatie, en 12 en 24 maanden daarna, maakte hij PET-scans van hun hersenen. Met behulp van een speciale tracer kon hij langs die weg de dopamineproductie meten. De scans wezen uit dat de operatie de sterfte van dopamineproducerende cellen niet vermindert. Wel bleek dat de behandelde patiënten veel minder last van hun motorische klachten hadden. Ook hoefden zij aanmerkelijk minder medicijnen te gebruiken.