Noodzakelijk kwaad met zorg omarmen

Ronald Bontrop is directeur van het Biomedical Primate Research Centre (BPRC) in Rijswijk, ,,het grootste onderzoekscentrum voor niet- menselijke primaten in Europa'', dat veelal apen gebruikt als proef- dier. Het BPRC is een wetenschap- pelijk instituut dat biomedisch onderzoek verricht naar ernstige ziekten die de gezondheid van de mens bedreigen.

``Ik ben een uitgesproken dierenvriend. Ik ben vogelaar, kijk in de natuur veel om me heen. Familie en vrienden hebben weleens moeite met het werk dat ik doe. Op verjaardagen wordt mij gevraagd waarom ik als dierenvriend de directeur kan zijn van een instituut waar dierproeven worden gedaan. Mijn antwoord is dan: ik ben ook mensenvriend. Ik heb lang genoeg in ziekenhuizen gewerkt om er veel menselijke ellende langs te zien komen. En dierproeven hebben hun nut al vaak bewezen. Als je nu aan kinderen vraagt wat polio is, dan weten de meesten dat niet eens meer.

Dierproeven zijn een noodzakelijk kwaad. Wel heeft de maatschappij de plicht om ervoor te zorgen dat die proeven zorgvuldig worden uitgevoerd. Ik heb daar altijd voor gestreden. Als je dieren uit het wild haalt en domesticeert, heb je een zorgplicht voor de dieren. Dat geldt voor boeren, voor dierentuinen en ook voor een instituut als het BPRC. Een dier is nooit een object. Je hebt er een band mee. Dat geldt voor ons, dat geldt ook voor boeren. De meeste boeren die ik ken, zijn gek met hun beesten. Je moet voorzichtig met dieren omgaan.

Er doen allerlei onwaarschijnlijke verhalen over ons de ronde, maar het is langzamerhand wel ongeloofwaardig geworden om tegen ons te gaan demonstreren. We hebben dierenverblijven kunnen bouwen in een dierentuinachtige ambiance. We beschikken in totaal over meer dan honderd medewerkers, onder anderen dierverzorgers, dierenartsen die permament aanwezig zijn, en ethologen. De meeste actievoerders kwamen uit Engeland. Daar worden tien keer zoveel proeven op apen gedaan als hier. Er worden in Nederland jaarlijks 400 tot 500 proeven op apen gedaan. De helft daarvan gebeurt onder mijn verantwoordelijkheid, de andere helft wordt gedaan op universiteiten en in andere instituten. De Nederlandse wetgeving loopt ver vooruit op de rest van Europa.

Ik ben blij dat we sinds kort zo'n sterke basisfinanciering hebben dat we kunnen sturen op kwaliteit in plaats van op kwantiteit. Ik kan kiezen. Ik kan me veroorloven om nee te zeggen op een onderzoeksvoorstel om dierproeven te verrichten. Er is geen commerciële slipstream meer. We hebben dankzij de nieuwe financiering een ontwikkeling doorgemaakt van contract research centre naar een wetenschappelijke onderzoeksinstelling. We kunnen de diepte ingaan. Veel commerciële opdrachtgevers zijn doorgaans alleen maar geïnteresseerd in de vraag of iets werkt. Wat ik belangrijk vind, is dat je ook nagaat waarom iets niet werkt. Die informatie kun je later weer vertalen naar andere experimenten, en daarmee kun je besparen op het aantal proeven. Ik vind het onverantwoord om niet het maximale aan informatie uit een dierproef te willen halen. Daarnaast mag financieel belang het onderzoek niet sturen. Neem een ziekte als malaria. Die wordt wel armoedeziekte genoemd, omdat de mensen in Afrika de medicijnen niet kunnen betalen en de commerciële bedrijven daar geen afzet hebben. Wij zeggen: nee, je moet ook onderzoek doen naar een malariavaccin.

Er zitten hier twaalf- tot dertienhonderd dieren. Dat lijkt veel, maar dat komt doordat we dieren zelf fokken om ze genetisch en microbiologisch te kunnen karakteriseren. Wij hebben hier de best gekarakteriseerde kolonie apen van de hele wereld. Er wordt jaloers naar ons gekeken. Er worden in Nederland jaarlijks ongeveer 700.000 dierproeven gedaan, veelal op muizen. Nederland heeft een naam en faam om zorgvuldig met proefdieren om te gaan. En vergis je niet in het nut daarvan. Er zijn landen die bijna compleet ontvolkt worden door aids. Daar moeten wij iets tegen doen. Wij leven niet op een eiland. In de politiek hebben wij de afgelopen jaren ook wel de vraag gehoord waarom uitgerekend Nederland zich zou moeten toeleggen op dit soort dierproeven. Maar het alternatief is niet vaak succesvol. De Fransen hebben een aidscentrum opgezet in Afrika. Dat werd tijdens een oorlog aangevallen en de apen werden opgegeten. Zo gaat het daar. En dierproeven alleen overlaten aan de Verenigde Staten, is misschien ook niet zo'n goed idee.

Veel mensen zijn tegen dierproeven, maar als je dan doorvraagt en vertelt dat zonder dierproeven vrijwel geen medicijnen kunnen worden ontwikkeld, dan is over het algemeen zo'n 70 procent van de mensen toch voor dierproeven. Er wordt vaak gewezen op de mogelijkheid van alternatieven voor dierproeven. Dat heeft natuurlijk de voorkeur. Ook wij kijken naar mogelijke alternatieven en het BPRC heeft een actief onderzoeksprogramma op dat terrein. Er zijn mensen die daarover verbaasd zijn, want ze denken dat we dan bezig zijn onszelf op te heffen. Als dat zou kunnen, mag dat van mij want ik onderschrijf de noodzaak van de ontwikkeling van gevalideerde alternatieven voor dierproeven.

De belangrijkste alternatieven zijn celkweek en computermodellen maar die kunnen lang nog niet altijd de gewenste antwoorden leveren. Als het zo gemakkelijk is om met computermodellen te werken, waarom is daar dan nog geen middel tegen aids mee ontdekt? Je kunt dan aan ons de vraag stellen waarom wij nog geen middel tegen aids hebben gevonden. Maar ik durf de stelling aan: als er ooit een vaccin tegen aids wordt gevonden, dan is dat voor een belangrijk deel te danken aan de resultaten van dierproeven.''