Niet plots op de rem gaan staan

De Nederlandse boer is erg goed in het fokken van met name varkens en kippen. Daarom is er een enorme vraag naar zijn biggen en kuikens. Het intensieve veevervoer is echter niet zonder risico's.

Het vechten begint snel. Tweehonderdtachtig biggen worden vanuit hun stal in Nederweert in een vrachtwagen geladen, voor transport naar Duitsland. Eenmaal in de wagen gaan sommige dieren elkaar flink te lijf. Ze bijten elkaar in oren, flanken en snuit. ,,Als we eenmaal rijden, worden ze snel rustig'', zegt chauffeur Michel Meusen. Dat blijkt te kloppen. Maar toch. Als de biggen ongeveer twee uur later weer worden uitgeladen, bij een boerderij in het dorpje Kaarst vlakbij Düsseldorf, heeft menig dier bebloede oren en een huid vol schrammen.

Nederland transporteerde vorig jaar ruim zes miljoen biggen naar het buitenland. Daarnaast nog eens drieënhalf miljoen kalkoenen, en 53 miljoen vleeskuikens. Schapen, geiten en runderen gingen er beduidend minder de grens over. Verder kwamen er een half miljoen levende kalveren vanuit allerlei landen naar Nederland. Het moge duidelijk zijn: de tijd dat een boer zijn vee op het eigen erf grootbracht en slachtte, is al lang voorbij.

Dierenbeschermingsorganisaties protesteren tegen het intensieve vervoer, dat ten koste gaat van het dierenwelzijn. Epidemiologen wijzen op de mogelijke verspreiding van dierziektes. Eerder dit jaar had de Wageningse onderzoekster Clazien de Jong in haar proefschrift nog gewezen op het gevaar van veewagens die van export uit Duitsland, Spanje of België terugkeren. Voor het virus dat varkenspest veroorzaakt vormen deze wagens de belangrijkste manier om Nederland binnen te komen, en daar ziekte te veroorzaken.

De Europese Commissie heeft twee jaar geleden geprobeerd het grensoverschrijdende veevervoer binnen de EU strengere regels op te leggen. Maar van alle voorstellen zijn er in de uiteindelijke richtlijn, die eind vorig jaar is aangenomen, weinig overgebleven.

Waarom gaat er eigenlijk zoveel levend vee vanuit Nederland naar het buitenland? ,,Economie, wantrouwen en deskundigheid'', vat dr. Bert Lambooy, deskundige op het gebied van veetransport en dierenwelzijn van de Wageningen Universiteit, samen. Soms is het slachten van dieren elders goedkoper. Daarnaast wil de buitenlandse afnemer zijn runderen, schapen of varkens graag in levende lijve zien. Met kant-en-klaar vlees valt namelijk gemakkelijker te sjoemelen – het kan bijvoorbeeld zijn ingespoten met goedkope, waterbindende eiwitten waardoor het gewicht, en dus de prijs, wordt opgedreven. En verder is de Nederlandse boer erg goed in het fokken van met name varkens en kippen. Daarom is er een enorme vraag naar zijn biggen en kuikens. Lambooy: ,,Onze dieren zetten meer vlees aan en minder vet. Ze leveren daardoor meer geld op. In het buitenland, en zeker in de nieuwe EU-lidstaten, zijn de volwassen dieren vaak nog moddervet.''

Het grootste welzijnsprobleem is trouwens niet het transport zelf, zegt Lambooy. ,,Dat is het laden en lossen. Daar wordt vaak geweld gebruikt'', zegt hij. Dieren hebben, net als mensen, graag controle over hun eigen situatie. Dat draagt bij aan hun welzijn. Als ze de stal uit worden gedreven via een onbekende gang naar een onbekende vrachtwagen, hebben ze tijd nodig om te wennen. Maar dat hebben boer en transporteur niet. Als de dieren te lang aarzelen krijgen ze een klap op de rug. Of erger. ,,Er wordt een stok gebruikt, of een elektrische prikkelaar die stroomstoten geeft'', zegt Lambooy. Dieren kunnen van angst gaan urineren of ontlasten. De vloer wordt vervolgens glad en ze breken hun poten. Opgejaagde varkens kunnen met elkaar gaan vechten. Zeker als ze gemengd worden met individuen die ze nog niet kennen. ,,Het komt voor dat meer dan de helft van een vracht varkens schrammen op de huid heeft, of bloedingen.'' Een collega van Lambooy promoveert over een paar maanden op onderzoek naar kippentransport in Nederland. ,,10 procent van de dieren blijkt pootbreuken te hebben, omdat ze te hardhandig in de wagen worden geladen'', zegt Lambooy. Volgens hem loopt dat percentage in andere EU-landen op tot wel 30 procent.

Met dat cijfer in het achterhoofd gebeurt het laden van de biggen in Nederweert opmerkelijk rustig. De dieren worden in groepjes van vijftien via een smalle gang de stal uit gedreven. De boer sluit de terugweg af met een grote houten plank. Als de biggen niet snel genoeg doorlopen, krijgen ze van chauffeur Meusen een duw tegen hun kont. ,,Kom op jongens'', roept hij, en hij zwaait met zijn armen in de lucht. Bij de laadklep van de vrachtwagen weifelen veel dieren. Ze hebben moeite met de verhoging van enkele centimeters. ,,Hassa, ssshhh'', roept Meusen. Als hij de voorste twee biggen op de klep duwt volgt de rest vanzelf. De laadklep heeft een liftmechanisme. Zo kan Meusen de varkens over drie etages verdelen.

Volgens onderzoeker Lambooy zijn er tijdens de rit drie dingen belangrijk. Een goede ventilatie, voldoende water en eventueel voer, en voldoende ruimte per dier. ,,Niet elk dier moet je tijdens een rit voeren'', zegt Lambooy. Dat geldt voor varkens en kippen. Die worden snel wagenziek. Als ze een volle maag hebben kunnen ze gaan overgeven. Ze lopen dan het gevaar in hun braaksel te stikken. Als alles goed geregeld is maakt het volgens Lambooy niet uit of een rit één uur duurt of acht uur. De meeste dieren sterven juist tijdens korte ritten. Van alle geëxporteerde slachtvarkens overlijdt 0,1 procent, terwijl dat percentage tien keer zo hoog ligt voor alle in Nederland getransporteerde varkens. Voor kuikens liggen de percentages op respectievelijk 0,4 en 1,3 procent. Volgens Lambooy heeft het te maken met gewenning. ,,Op een lange reis wennen de dieren op den duur aan hun situatie. Ze worden rustig. Op korte ritten is er verhoudingsgewijs veel meer stress.''

Water is er voldoende voor de biggen die chauffeur Meusen naar Duitsland vervoert. In de laadruimte zitten her en der spenen in de wand verwerkt, met watertoevoer. De zijkanten van de veewagen hebben over de hele lengte verstelbare schuiven, voor het reguleren van de luchtdoorvoer en de temperatuur. En mocht er van een kant regen binnenkomen dan kunnen de schuiven daar wat dichter en aan de andere kant juist wat verder open, om de luchtstroom op peil te houden. ,,In de nieuwste wagens kan de chauffeur die schuiven vanuit zijn kabine bedienen. Dat is super'', zegt Meusen. Volgens hem zijn de biggen niet te dicht op elkaar gepakt. Ze hebben de ruimte om te gaan liggen. Volgens Sjoerd van de Wouw, van dierenbeschermingsorganisatie Wakker Dier ontbreken in Europa algemene regels voor de beladingsdichtheid van vee. Voor bijvoorbeeld slachtvarkens zijn die er wel. Per vierkante meter geldt een limiet van 235 kilo. Het wetenschappelijk comité voor diergezondheid en dierenwelzijn heeft de Europese Commissie drie jaar geleden geadviseerd algemenere regels op te stellen voor de beladingsdichtheid van vee. Via eenvoudige formules zijn de dichtheden voor de verschillende diersoorten, en de verschillende leeftijden, te berekenen. Maar de formules zijn in de uiteindelijke richtlijn niet terug te vinden.

Zo heeft het wetenschappelijk comité ook voorgesteld een maximale reistijd in te voeren van acht uur voor paarden, varkens, kalveren en lammeren – voor schapen en runderen werd twaalf uur voorgesteld. Daarna zou een pauze moeten worden ingelast van zes uur. Tijdens zulke lange transporten raken dieren vaak oververmoeid. Zeker als ze moeten blijven staan, omdat ze te dicht op elkaar gepakt staan. In oververmoeide spieren treedt verzuring op, net zoals bij sporters. Dat kan later, na de slacht, nog te merken zijn aan het vlees. ,,Dat is dan bleek en slap'', zegt Lambooy. Ook dit voorstel van het wetenschappelijk comité heeft het niet gehaald.

De richtlijn die eind vorig jaar is geaccepteerd door de Europese Raad, onder voorzitterschap van Nederland, legt vooral de nadruk op het opleiden van de mensen die met veevervoer te maken hebben, en op strengere controles. ,,Maar ja, wat moet je controleren als je daarvoor amper de mensen hebt'', zegt onderzoeker Lambooy.

Redenen om strenger te controleren zijn er volgens hem genoeg. Kijk naar de cijfers van de Algemene Inspectiedienst (AID). Bij één op de vier biggentransporten die de AID in 2004 controleerde werden een of meerdere overtredingen geconstateerd. Of de vrachtwagens waren te zwaar geladen, of ze waren niet goed uitgerust (bijvoorbeeld met water en voer), of ze waren niet goed ontsmet. ,,De Nederlandse overheid en de sector doen veel te weinig aan controle'', vindt Lambooy. Maar volgens een woordvoerder van de AID valt dat wel mee. ,,We hebben vorig jaar heel wat gedaan'', zegt hij.

Chauffeur Meusen vindt het goed dat de nieuwe Europese richtlijn zo stilstaat bij een gedegen opleiding. Toen hij bij zijn huidige baas, Janssen Veehandel in Koningsbosch, ging werken heeft hij een speciale opleiding tot veetransporteur gevolgd. Aan het reinigen en ontsmetten wordt bijvoorbeeld veel aandacht besteed. Maar ja, sommige transporteurs denken liever aan het geld dat ze kunnen verdienen. Ze laden graag wat extra varkens in hun wagen ook al staan de dieren dan hutjemutje. Het risico van een controle, en een boete, nemen ze op de koop toe. Meusen vindt dat chauffeurs hier ook een stuk eigen verantwoordelijk hebben. ,,Bij het stoplicht moet je niet opeens op de rem gaan staan, want dan vallen de dieren over elkaar heen. En bochten neem je langzaam.'' Maar Van de Wouw van Wakker Dier gelooft niet in die verantwoordelijkheid. Het is iedere keer hetzelfde: het economisch belang van de sector gaat boven het dierenwelzijn. Van de Wouw: ,,Je kunt van de vrachtwagen een paradijs maken, maar helaas is de praktijk anders.''