Je bent Frans of je bent niets

Na twee weken van oproer in de voorsteden vragen de Fransen zich af wat er mis is met hun integratiemodel. Groot-Brittannië, Duitsland en Nederland hadden zich die vraag al eerder gesteld. En Amerika? Amerika wint.

Philippe A., afstammeling van Poolse joden die in 1920 naar Frankrijk emigreerden, had toevallig deze week met een naamgenoot geluncht. Ze waren elkaar op het spoor gekomen via de voor de ander bestemde e-mail die zij beiden met regelmaat ontvingen. Het was vreemd geweest, tegenover iemand zitten met dezelfde identiteit. Philippe A. was er treurig van geworden. Híj is niet gelovig maar toch nadrukkelijk joods, is de gangen van zijn grootouders nagegaan, in Polen geweest en dan die evenknie aan gene zijde van de tafel: helemaal verfranst, geen idee van zijn herkomst, bij wijze van spreken minder joods dan de paus en waarschijnlijk hij had het maar niet eens gevraagd getrouwd met een katholieke Jeanne uit de provincie.

Dat is, had hij zich ineens gerealiseerd, wat het `Franse model' met mensen doet. Het amputeert ze, tot geschiedenis- en herkomstloze wezens. En vroeg of laat wreekt zich dat. Bij voorbeeld in de onlusten, die nu al twee weken de Franse voorsteden teisteren. De minderheden uiten niet alleen hun woede over hun erbarmelijke sociaal-economische omstandigheden. Minstens zo belangrijk is dat ze niet mogen zijn wie en wat ze zijn. Het Franse model is niet `multicultureel', dat is iets voor Angelsaksische landen. Een Frans staatsburger is Frans, met alles wat dat woord inhoudt, en verder niks, op straffe van uitsluiting.

Het ideale ik

Over deze onontkoombare, voortdurende druk van Frankrijk op zijn (nieuwe) burgers publiceerde de socioloog Alain Touraine, ook deze week, een stuk in dagblad Le Monde (overgenomen in deze krant, op 9/11). Daarin had hij het over `ce moi national idéal', het ideale nationale ik, gevormd door het Franse model. Iedereen die niet aan dat ideaalbeeld voldoet is minderwaardig en wordt als zodanig behandeld.

Dat klinkt, zo droog als Touraine het vaststelt, bijna ongeloofwaardig. Zo gaat Frankrijk, zelfverklaarde bakermat van de mensenrechten, toch niet met haar kinderen om? Misschien wel, zo concluderen aarzelend, vertwijfeld, deskundigen de afgelopen week in Franse discussieprogramma's. In een soort nationale psycho-analyse wordt voor het eerst in bredere kring de waarde van het aloude assimilatiemodel, dat tot voor kort doorging voor het beste ter wereld, in twijfel getrokken. Rellen die aanvankelijk genegeerd werden, en weggemoffeld, beginnen sinds een dag of wat granieten zekerheden onderuit te halen.

De rellen, hoe chaotisch ook, hebben een voorgeschiedenis. Begin dit jaar al publiceerde een aantal kunstenaars, wetenschappers en linkse politici op internet een manifest. Ze riepen zwarten, Noord-Afrikanen en andere door de koloniale geschiedenis in Frankrijk aangelanden uit tot `inboorlingen van de Republiek'. De minderheden worden volgens hen koloniaal, als tweederangs burgers en zelfs als slaven behandeld. Minstens zo cruciaal als het woord inboorlingen in de titel van hun pamflet is het woord `Republiek'. Het is immers uitgerekend de Republiek dat resultaat van de Revolutie en de belichaming van het sindsdien door Frankrijk uitgedragen ideaal van vrijheid, gelijkheid en broederschap die afkeurt, straft, uitsluit.

De Revolutie dankte haar leus aan de Verlichting. Geen universeler waarden dan vrijheid, gelijkheid en broederschap. Het neemt niet weg dat ze direct werden ingezet voor politieke doeleinden. Ze dienden als cement voor wat de socioloog Pierre Birnbaum `het samenraapsel' Frankrijk noemt. Ook de later, in 1905 ingestelde `laïcité', de strikte scheiding tussen kerk en staat, diende dat doel. De laatste parallelle macht naast de Staat de katholieke kerk werd ermee uit de weg geruimd. Eindelijk had de Staat het rijk alleen.

Volgens de revolutionaire beginselen vormden staat en volk een eenheid. Met dien verstande dat de Staat een instrument is in handen van het soevereine volk. De werkelijkheid liet het omgekeerde zien: Niet de burger koos zich een Staat, maar de Staat koos zich een burger. Die is man noch vrouw, moslim noch jood, zwart noch wit, maar Frans. Dat wil zeggen: universeel. De Franse burger is in principe een Sovjet-mens, een blauwdruk met geen andere identiteit dan onderdeel zijn van een groter, solidair geheel. Onbeheersbare diversiteit is uit den boze, althans binnenlands. Op internationaal niveau dragen Franse leiders juist diversiteit uit, als welkome dam tegen het overheersende Amerika, het Engels en de angelsaksische invloed in het algemeen.

`Republikeinse' reflexen bepalen de Franse politiek tot op de dag van vandaag. Waar de godsdienst de deur is uitgewerkt, is de Republiek zelf als een soort godheid gaan fungeren. De Republiek wordt voortdurend aangeroepen, ten voorbeeld gesteld, tot richtsnoer genomen. Het adjectief `republikeins' kent een Bibelebonse gebruiksfrequentie. In naam van de Republiek werd de islamitische hoofddoek verboden op de openbare school. Een politicus die zijn voorstel kracht wil bijzetten, noemt het republikeins. Toen de extreem-rechtse leider Jean-Marie Le Pen in 2002 tot de eerste ronde van de presidentiële verkiezingen doordrong, was het een `republikeinse plicht' hem de pas af te snijden. Ook een politicus die géén voorstel of oplossing heeft, grijpt naar het woord. Zo riep premier Dominique de Villepin, dagen na het uitbreken van de eerste rellen, op tot een `assaut républicain'. Niet alleen is zijn oproep zo goed als onvertaalbaar (`republikeinse aanval' of `impuls' komen in de richting), ook is de betekenis vaag en impliciet. Het is als een verwijzing naar Gods wil. Een raadsel voor de buitenstaander, gesneden koek voor de gelovigen.

Geen recht op anders zijn

Afvalligheid wordt niet getolereerd. Zoals het goede synoniem is aan `republikeins', zo wordt het kwaad aangeduid met `communautarisme'. Wie opkomt voor de deelbelangen van de eigen groep, schaadt de eenheid. Het adjectief `communautariste' laat zich gemakkelijk voor politieke, meestal conservatieve, karretjes spannen. Het snoert moeiteloos monden en het maakt korte metten met het streven naar speciale rechten. Wie ze opeist, rest na de onherroepelijke terechtwijzing, weinig anders dan diepe schaamte over zijn dwaling. Minderheden, zo wordt openlijk gezegd, hebben er geen recht op anders te zijn (à la différence), ze hebben slechts recht op onverschilligheid (à l'indifférence).

Vorig jaar nog werd het zogeheten homohuwelijk een duidelijke poging van een minderheid om deel te nemen aan het republikeinse contract alom afgedaan als `communautariste'. Onder druk van het republikeinse ideaal waren de belanghebbenden zelf het daar, schizofreen genoeg, in meerderheid mee eens. Voorzover ze er voor te porren waren er een mening over te hebben, zongen ze gretig mee in het koor van afkeuring. Hoewel hij de laatste is die het woord in zijn mond zou mogen nemen, kon de president van de Republiek volstaan met een korte weigering mee te werken aan `een parodie'. Zelfs humoristen vergaten er hun voordeel mee te doen.

De Republikeinse eenheid is een verstikkende deken, temeer omdat zij een mythe is. De huidige rellen worden alom in verband gebracht met de sociaal-economische omstandigheden in de voorsteden, maar de klacht van de protesterende jongeren is consistent: het gaat steeds over discriminatie en slechte behandeling door de politie. In brieven in deze krant wezen lezers erop dat de invloed van de islam in de berichtgeving bewust zou worden verzwegen. De waarheid is, dat de guerrilla nog onvoldoende in kaart is gebracht om conclusies te trekken. Ofschoon het duidelijk is fundamentalistische groeperingen hun voordeel willen doen met de algehele verwarring, is er geen enkele grond de islam als schuldige aan te wijzen. Vooralsnog lijkt het aandeel van zwarte jongeren, die als ze al moslim zijn hun geloof op een andere manier beleven dan Noord-Afrikanen, groter dan dat van hun Arabische leeftijdgenoten. Hadden dezelfde gebeurtenissen in Amerika plaats, dan werden ze rassenrellen genoemd. In de Franse context kan men spreken van klassenrellen.

Er zijn aanwijzingen dat zij, voor een deel althans, verband houden met republikeins beleid. De acties zijn in elk geval ook gericht tegen de `Republiek'. Op televisie zeiden jongeren bussen in brand te steken om `de staat' te treffen. Hun leeftijdgenoten in Nederlandse probleemwijken zouden niet eens weten wat ze zich daarbij moeten voorstellen. Scholen, altijd omschreven als republikeinse scholen, zijn volgens menig socioloog ook om die reden doelwit. Een nieuw geuzengebaar is het tonen van de identiteitskaart: ik hoor wél bij die staat. Een jonge vrouw zei dat haar auto in brand gestoken was, maar dat ze het niet erg vond. Ze kon de rellen en vernielingen billijken: die waren volgens haar de enige manier om de aandacht van de republiek op te eisen.

Dat het Franse model onder druk staat, wordt vreemd genoeg ook en al veel langer door de overheid zelf betoogd. Uitgerekend hardliner Nicolas Sarkozy, de minister van Binnenlandse Zaken die de vernielingen aangewakkerd zou hebben door de relschoppers tuig te noemen, pleit al enkele jaren voor positieve discriminatie, zoals gangbaar in Amerika. Het is voor Nederlanders moeilijk voor te stellen, maar in Frankrijk is een dergelijk voorstel zo goed als onbespreekbaar. Het is `communautariste', eenheidsondermijnend. President Jacques Chirac noemde het het verbaast niet ,,in strijd met de republikeinse traditie''. Het hek zou van de dam zijn. Maar dat is het nu ook. Sarkozy en de relschoppers zijn in dit opzicht machtige bondgenoten.

Pieter Kottman was tot oktober correspondent voor NRC Handelsblad in Frankrijk.