`Hadewijch heeft me geraakt'

Frits van Oostrom, de nieuwe president van de Akademie van Wetenschappen, pleit voor brede academische vorming. En voor diepte, zoals in Stemmen op schrift, zijn in februari te verschijnen geschiedenis van de Middelnederlandse literatuur.

`DE AKADEMIE staat voor de ziel van het universitaire organisme,' zegt Frits van Oostrom, universiteitshoogleraar te Utrecht en sinds kort president van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW). ``Ik pleit voor passie in de wetenschap, voor zuiverheid. Pal staan voor fascinatie, dat is de kern. Ik word er een beetje wee van als nut louter in economische termen wordt gegoten. Hoed je voor de waan van de dag, voor een al te utilitaire kijk op kennis en innovatie.''

Van Oostrom (1953) is mediëvist. Zijn specialisme is de Middelnederlandse letterkunde, de wereld achter Karel ende Elegast, Vanden vos Reynaerde en de Beatrijs. Na zijn promotie in 1981 op Lantsloot vander Hagedochte werd hij, 29 jaar oud, hoogleraar Nederlandse literatuur tot aan de Romantiek in Leiden. Hij zette er het onderzoekscentrum Nederlandse literatuur en cultuur in de middeleeuwen op en voerde het dankzij een Pioniersubsidie van NWO (1989) en een Spinozoapremie (1995) tot grote hoogte. Met Maerlants wereld (meer dan 60.000 exemplaren verkocht) won hij in 1996 de AKO-literatuurprijs. Drie jaar geleden keerde Van Oostrom als universiteitshoogleraar terug naar Utrecht, de stad waar hij is geboren, studeerde en het vak leerde in de kring rond W.P. (Wim) Gerritsen.

``Die overstap had twee redenen'', zegt Van Oostrom. ``Ik had nog twintig jaar in Leiden door kunnen gaan maar achtte het erg onwaarschijnlijk dat die even stralend zouden zijn. Bovendien was ik druk bezig met mijn grote geschiedenis van de Nederlandse literatuur van de middeleeuwen. Een echt boek maken – in mijn vakgebied maatgevend – vergt enorme concentratie en een brede horizon, zeker in de laatste fase. In Leiden, iedereen kennende en bij alles betrokken zijnde, was ik bang de broodnodige rust niet te kunnen opbrengen. Utrecht gaf mij de vrijheid die ik zocht.''

Afgelopen mei, toen het ei bijna was gelegd, is Van Oostrom geïnstalleerd als Akademiepresident. Bijna had hij nee gezegd. Naar aard en temperament – van het AKO-prijzengeld kocht hij een blauwe cabriolet – voelt hij zich ``weinig presidentieel'' en de statige geschilderde portretten van zijn voorgangers in het Trippenhuis, de Amsterdamse zetel van de KNAW, kan hij ``niet zonder gêne'' bekijken. Maar zijn vrouw overtuigde hem van de aantrekkelijkheid van de functie en Van Oostrom zei ja.

De KNAW moet niet met de neus in de wind gaan lopen, vindt Van Oostrom, maar mag zijn stem best luider laten horen. Jammerlijk aan het academische bestel vindt hij de driejarige opleiding tot bachelor. ``Vier jaar zou veel beter zijn. De studies zijn dermate verkort, de studenten worden er in zo'n tempo doorheen gejaagd – het is een soort hordenloop en de horden staan zo dicht op elkaar dat je heel hijgerige sprongetjes gaat maken. Meer ruimte en rek in de opleidingen zijn dringend nodig en het is bijzonder treurig dat de maatschappij daar de waarde niet van inziet. Driejarige bacheloropleidingen zijn bouillonblokjes, supergeconcentreerd. De kwaliteit lijdt daar onder. De KNAW zou dat moeten zeggen, en nog eens zeggen, en nog eens zeggen. En wel op zo'n manier dat de reactie niet luidt: `Daar heb je ze weer, de universiteiten willen dat het altijd mooi weer is'.''

contrast

Studenten halen volgens Van Oostrom lang niet uit de universiteit wat erin zit en ook het omgekeerde is het geval. ``Ik sprak in 2000 op het afscheid van De Wijkerslooth als directeur-generaal hoger onderwijs van het ministerie van OCW. Piet Borst sprak daar ook en het contrast had niet scherper kunnen zijn. Thema was `Nederland slimmer maken'. Borst vond dat we meer aan toponderzoek moeten doen, terwijl ik stelde dat `wijzer' beter was dan `slimmer'. `Wijzer' vereist meer aandacht voor academische vorming. In scholing zijn we goed, we leiden prima tandartsen en neerlandici op. Maar het ontbreekt aan een goed besef van academisch temperament, van de essentie van wetenschap. We moeten oppassen dat de universiteit door alle verschoolsing en studieduurverkorting niet te veel op het hbo gaat lijken.

``Harvard, waar ik een half jaar heb gewerkt en heb mogen profiteren van een schitterende bibliotheek, voert die bredere vorming hoog in het vaandel. Daar hebben ze een core curriculum en kun je het meemaken dat een geleerde van naam en faam college geeft over koning Arthur en de tafelronde, in het besef dat er ook fysici bij zitten. Ook in Amerika kennen ze de calculerende student, maar de ambitie ligt er toch hoger en ze geloven in de maakbaarheid van dromen. Bij ons redeneren studenten: `een 5,5 is een 6 is een voldoende' – ik moet altijd slikken als ik dat zie. Dat klimaat moeten we keren. Tegelijk moet je in een pleidooi voor meer breedte in de studie niet doorschieten. Diepgang moet, een stevig werkstuk hoort erbij. Je wilt geen studenten die van alles iets weten en van niets echt wat.''

In vergelijking met het bedrijfsleven zijn universiteiten ``benijdenswaardig zachtmoedig'', vindt Van Oostrom. Dat neemt niet weg dat het personeelsbeleid beter moet. ``De mensen moeten weer de ruimte krijgen, vertrouwen ontwikkelen. Tegen het chagrijn, zou ik zeggen. Er is een hoop geklaag, dat is eigen aan het genus academicus. Vaak gaat het om melancholieke types, al helemaal in de letteren. Niettemin is de ontevredenheid niet ongegrond. Het universitaire klimaat moet stimulerender, inspirerender. Slechte rendementen, een immobiele staf, ondoorzichtig onderzoek, gebrek aan elan: we kunnen het onszelf aanrekenen. Dat moet je Amerikanen nageven: als je daar op een congres komt zindert het. Gezamenlijk ergens voor staan, het idee dat slagen ieders inzet vereist: dat zou bij ons heel wat pittiger kunnen.

``Waar ik me echt kwaad om kan maken is dat mensen soms alle verhoudingen uit het oog verliezen. In dezelfde week dat in Leiden de unieke bibliografie van de egyptologie, een internationaal gewaardeerd project dat de universiteit een habbekrats kost, werd wegbezuinigd, klaagden genetici dat een paar honderd miljoen voor een nieuw Nederlands genomics-instituut veel te weinig zou zijn. Accepteer het geld dan niet, denk ik dan. Om te spreken met de boer die Kant las: ik wou dat ik zulke problemen had. Hier zijn verhoudingen volkomen zoek. Tegelijk zit de zaak in Nederland muurvast. Wat je de één geeft, gaat automatisch ten koste van de ander. Dat is funest voor vernieuwing. Goede onderzoekers willen altijd meer, vragen genoeg. Ik heb met mijn centrum voor Nederlandse literatuur en cultuur in de middeleeuwen vier à vijf miljoen euro weggezet. Het dubbele? Graag! Maar ja, wij hebben geen Harvard dat voor bijzondere bestedingen kan putten uit een gigantisch eigen vermogen.''

uitgesloofd

Van Oostrom deed gymnasium . Hoewel Nederlands zijn beste vak was, heeft hij nog overwogen wiskunde te gaan studeren. ``Als ik me flink had uitgesloofd was het misschien nog wat geworden. Symbolentaal, analytische vaardigheden, de zuiverheid van de wiskunde: heel mooi. Het werd Nederlands, maar exact denken doe ik in zekere zin ook. Natuurlijk, vergeleken met echte wiskunde zijn mijn bewijzen flinterdun en q.e.d. onder een betoog zetten zou getuigen van een onvoorstelbare zelfingenomenheid. Toch, de manier van nadenken, systematisch redeneren, herformuleren van problemen, redeneren met onbekenden en soms uit het ongerijmde: er bestaat verwantschap met de aanpak van de wiskundige. Als ik in gezelschap van natuurwetenschappers zeg dat ik op de middelbare school bèta heb gedaan is de reactie vaak: `dacht ik wel'.''

Als Utrechtse student werd Van Oostrom al in zijn eerste jaar gegrepen door de Middelnederlandse letterkunde. ``Ik vond het een openbaring. Alle verbindingen met Frankrijk en Duitsland, de cultuur-historische wereld eromheen, het werken met woordenboeken en het zoeken naar betekenissen, de filologische aspecten, de overvloedige secondaire literatuur – prachtig was het. Maar, als Wim Gerritsen een ander vak had gegeven, was ik misschien daar beland. De man en zijn stijl maakten grote indruk. Op de middelbare school deed ik hoofdzakelijk niks, je rolde er gewoon doorheen. Als student Nederlands had ik die houding perfect vol kunnen houden en toch is daar het vuur ontstoken. Opeens vond ik het wèl de moeite waard om me uit te sloven.

``Met Gerritsen had ik een echte meester-leerlingverhouding. Zoiets ligt heel persoonlijk. Ik heb er geweldig van genoten en geweldig van geleerd. Maar het had een keerzijde. Er was een periode dat ik zo geboeid was door het vak dat ik even vergat dat ik ook nog een lieve vriendin had. Later hoorde ik Henk Wesseling eens tegen een promovendus zeggen: `Maar Pim, dat is jouw karakter, zo ben jij'. En ik dacht: zo'n gesprek heb ik met mijn promotor nooit gehad. Wim Gerritsen en ik waren sterk vakgericht. Als hij had gezegd: `Frits, weet dat er ook een leven buiten het vak is', had ik dat niet erg gevonden maar wel was ik stomverbaasd geweest, stomverbaasd. Zo gingen we niet met elkaar om.''

Populariseren is Van Oostroms tweede natuur. Dankzij minitieus onderzoek wist hij Jacob van Maerlant `uit zijn werk te roken'. Deze dertiende-eeuwse auteur van romans, ridderverhalen, heiligenlevens, een rijmbijbel, een `Spieghel Historiael', een natuurencyclopedie en nog veel meer – samen een reusachtig oeuvre van honderdduizenden paarsgewijs rijmende verzen – is in Maerlants wereld weer tot leven gewekt, niet alleen bij vakcollega's maar ook bij een breed publiek. ``Van Gerritsen leerde ik dat je helder moet schrijven, maar ook boeiend'', zegt Van Oostrom. ``Je bent evenwichtskunstenaar, je probeert twee werelden te bedienen. Over de reacties in de vakpers op Maerlants wereld heb ik geen klagen. Daarnaast voer je de gewone lezer mee op een ontdekkingsreis die je zelf al gemaakt hebt en waarover veel interessants valt te vertellen. Ik neem mijn lezers serieus, Maerlants wereld is een veeleisend boek, ik ga niet op mijn hurken zitten. Dat vinden de mensen helemaal niet erg, ze willen zich best moeite getroosten. Ik heb mappen vol brieven van lezers die door dat boek getroffen zijn.''

manuscript

September heeft Van Oostrom het manuscript ingeleverd van Stemmen op schrift – in februari verschijnt het in druk. Aan deze `geschiedenis van de Nederlandse literatuur vanaf het begin tot 1300' heeft hij tien jaar gewerkt. Ze loopt van het oudste bewaarde Middelnederlands, de dichtregel `Hebban olla vogala nestas [...]' van rond het jaar 1100, tot Willem `die Madoc maecte' (en de Reynaert schreef) en Jacob van Maerlant. Het is Middelnederlandse literatuur in context: hoe het Nederlands op schrift kwam, over het ontstaan van hoofse cultuur, de ambities van de steden, en de `bevrijdingstheologie' van middeleeuwse vrouwenmystiek. ``Met mijn geschiedenis wil ik voorkomen dat stemmen van zevenhonderd jaar en ouder, zwak geworden door de diepte van de tijd, wegsterven. Stemmen op schrift vervult naast een wetenschappelijke ook een culturele functie, het gaat om erfgoed dat het waard is om voort te leven. Mijn boek werpt zinkende teksten een reddingsboei toe.''

De vorige literatuurgeschiedenis van de middeleeuwse letterkunde dateert van 1970 (Knuvelder). ``Sindsdien zijn enorme vorderingen geboekt die een nieuwe synthese rechtvaardigen'', zegt Van Oostrom. ``Beatrijs van Nazareth schreef een tekst van veertien bladzijden, maar het laatste proefschrift erover telde er meer dan duizend. Er is geweldig veel nieuwe specialistische kennis en dan moet er af en toe iemand opstaan die op zoek gaat naar samenhang in dat alles. Anders verkruimelt het vakgebied in superspecialismen. Die wetenschappelijke speurtocht is mijn eerste drijfveer. Veel werk, zwaar, maar prachtig om te doen. En daarbij komt de ambitie om, net als bij Maerlant, vakkennis over te dragen aan een breed publiek.''

Het grootste intellectuele plezier beleefde Van Oostrom aan het schrijven van het hoofdstuk over mystiek. ``In het geval van Maerlant zag ik er tegenop om daar voor Stemmen op schrift nog eens doorheen te gaan, en het fris te houden. Ook met de Reynaert was ik eerder bezig geweest. Intussen zijn er nieuwe inzichten en ik verheugde me op het weerzien. Niettemin: een oude bekende. Ridderromans: een sentimental journey. Nee, het grote intellectuele avontuur zat bij die mystiek. Vier maanden heb ik me ondergedompeld. Ik zag er tegenop maar had er tegelijk zin in. De Brabantse begijn Hadewijch – over haar persoon weten we zo goed als niets – komt in de dertiende eeuw met minnepoëzie in de volkstaal die getuigt van een heel eigen stem. Mystieke liefdesliederen, visioenen, brieven, een persoonlijke, welhaast fysieke omgang met Christus, en dat alles in uiterst complexe maar ook dwingende taal. Dat hoofdstuk over mystiek is me zwaar gevallen, maar ik ben er het blijst mee. Hadewijch heeft me geraakt.''

Dit is aflevering één van een maandelijkse serie portretten van Nederlandse wetenschappers van naam en faam.