Globalisering: meer banen, minder regels en minder loon

De nieuwbakken coalitiepartners SPD en CDU-CSU doen nu wel alsof het gat in de begroting het belangrijkste is, ,,maar dat is onjuist'', betoogt oud-kanselier Helmut Schmidt op de voorpagina van het Duitse opinieweekblad Die Zeit. ,,Belangrijker dan dat gat van 5 miljard [euro] zijn de vijf miljoen werklozen. Want massale werkloosheid heeft ernstige psychische en politieke gevolgen, zie Parijs.''

Natuurlijk moet de nieuwe regering zich inspannen om de begroting weer in orde te krijgen, meent Schmidt. Maar in vergelijking met de tekorten in Japan en de Verenigde Staten is het tekort op de lopende rekening ,,geenszins alarmerend''. De oud-kanselier wijst er verder op dat ,,de globalisering van de Duitse economie vier keer zo sterk is als die van de Verenigde Staten en twee keer zo sterk als die van Japan''. Dat betekent dat Duitsland ook veel gevoeliger is voor mondiale crises dan enig ander land. Dat gaat gepaard met vermindering van het Duitse concurrentievermogen. En dat, concludeert Schmidt, is de oorzaak van de groeiende werkloosheid.

Hij heeft het regeringsprogramma al klaar. Om de werkloosheid onder de duim te krijgen is in ieder geval deregulering van de arbeidsmarkt noodzakelijk. Verder moet de economie in het voormalige Oost-Duitsland opnieuw op gang worden gebracht. Want het bruto binnenlands product in het oosten is slechts de helft van die in het westen, als je de jaarlijkse 85 miljard euro subsidie niet meetelt. De oplossing voor Oost-Duitsland ligt volgens hem al op tafel, met name het voorstel om de BTW in het oosten te verlagen. En bovendien moeten de Duitsers eens van hun regelzucht af. Want ,,de Duitse paragrafenwaan belemmert het presteren''.

Wat Duitsland te veel heeft aan regulering op de arbeidsmarkt hebben de Verenigde Staten te weinig. En het gebrek aan regels is volgens het Amerikaanse maandblad The American Prospect de reden waarom de 11 miljoen illegale immigranten in de VS de zwarte markt doen groeien als kool. Dat komt volgens het blad doordat het immigratiebeleid totaal niet aansluit op de realiteit van de arbeidsmarkt. Het immigratiebeleid houdt in dat hooggekwalificeerde werknemers zonder omhaal een visum krijgen. Daarnaast zijn er maar 5.000 visa beschikbaar voor de 500.000 laaggekwalificeerde werknemers waar de arbeidsmarkt om vraagt.

Volgens officiële cijfers vormen illegale immigranten 58 procent van het Amerikaanse werknemersbestand in de landbouw, 23,8 procent in de sector huishoudelijke hulp voor particulieren, 16,6 procent in de zakelijke dienstverlening, 9,1 procent in de horeca en 6,4 procent in de bouw. Het gevolg van die ontwikkeling is dat de lonen in deze bedrijfstakken dalen, ook voor autochtone werknemers, en dat de werkomstandigheden verslechteren tot ver beneden een aanvaardbaar minimum. Dat betekent volgens het blad dat er nieuwe regels moeten komen, zowel voor immigranten als werkgevers.

Het ziet er niet naar uit dat het bedrijfsleven daar voor te porren is. Immers, het bedrijfsleven is altijd op zoek naar kostenreductie, vooral door werk uit te besteden naar lagelonenlanden. In een lijvig artikel over China en Azië herinnert Robert Skidelsky er in de New York Review of Books aan hoe Amerikaanse bedrijven als Motorola, Intel en Texas Instruments al in de jaren tachtig het maken van arbeidsintensieve producten begonnen over te brengen naar Maleisië, Singapore, Taiwan en China. De auteur is hoogleraar economie aan Warwick University in Groot-Brittannië.

,,Vandaag de dag produceert China tweederde van 's werelds kopieermachines, schoenen, speelgoed, magnetrons, de helft van zijn dvd-spelers, digitale camera's, cement en textiel, 40 procent van zijn cdrom-drives en personal computers, een kwart zijn mobieltjes, tv's, en staal.'' Deze situatie is volgens de auteur trouwens niet alleen aan het bedrijfsleven te danken maar ook aan ,,de ideologie van laisser faire van de Amerikaanse overheid en het laten zweven van de dollar''.

De auteur constateert: ,,Wij gaven China het geld waarmee het Unocal probeerde te kopen.'' (Unocal is een Amerikaans oliebedrijf waar het Chinese staatsoliebedrijf CNOOC een overnamebod op heeft uitgebracht. Tevergeefs, omdat de aandeelhouders een lager bod van Chevron prefereren, red.) De auteur meent dat globalisering de VS meer kwaad dan goed doet en dat het hoog tijd wordt dat Amerika thuis orde op zaken stelt door de infrastructuur, het onderwijs en de sociale wetgeving te hervormen.

Dat zal de Amerikaanse consument er niet van weer houden om Aziatische producten te kopen, meent het kwartaalblad Foreign Policy, want deze ,,is eenvoudigweg niet meer bereid om meer geld neer te tellen voor een product made in America''. Het blad belijdt zijn geloof in het dogma van de vrije handel in een open brief aan H. Lee Scott Jr, de president-directeur van Wal-Mart. Het blad spoort hem aan meer aan buitenlandse politiek te doen, onder andere tegenover China. Immers, zo schrijft het blad, ,,uw onderneming was goed voor bijna 10 procent van de 197 miljard dollar aan goederen die de Amerikanen uit China importeerden''.

China en Amerika hebben elkaar nodig. Want de Chinese yuan is gebonden aan de Amerikaanse dollar om de exportprijzen zo laag te houden dat de Chinezen het geld kunnen verdienen waarmee ze het Amerikaanse tekort financieren.