Een dronken dichter, vechtjas en hoerentester

Komende week gaat in Engeland de film `The Libertine' in première. Daarin speelt Johnny Depp de rol van Lord Rochester, een zeventiende-eeuwer die alles deed wat God verbood en vervolgens op zijn 33ste overleed aan een geslachtsziekte, schrijft J.J. Peereboom

Iemand die voor het eerst uit het werk van Lord Rochester (1647-1680) hoort voorlezen, zou kunnen denken dat het gisteren geschreven was in plaats van drie eeuwen geleden, zo vanzelfsprekend klinkt het bijna: `Als ik, als door een wonder,/ U een minuut lang trouw kan zijn,/ Is dat net wat de hemel toestaat (If I, by miracle, can be/ This live-long minute true to thee,/ Tis all that heaven allows).

De vriendin aan wie hij dit gericht had zal teleurgesteld geweest zijn, want de dichter was een mooie en veroverende man; maar niet verbaasd, want de meisjes aan en om het hof van Charles II wisten hoe het gaat, net als de meisjes van de straat waar hij ook niet afkerig van was.

Een koesterende man was Rochester niet, ook niet voor de mensheid in het algemeen. In A Satire against Mankind blafte hij dat als hij niet in een menselijke gedaante geboren was en nog mocht kiezen `Wat voor soort vlees en bloed ik wilde,/ werd ik een hond, een aapje of een beer,/ alles liever dan die ijdeltuit, die zich laat voorstaan op zijn rede' (What sort of flesh and blood I pleased to wear,/I'd be a dog, a monkey or a bear,/Anything but that vain animal,/ Who is so proud of being rational).

John Wilmot, zoals hij oorspronkelijk heette, was geboren in 1647 en opgegroeid in een huis in Oxfordshire onder de hoede van zijn moeder, een vrome en capabele dame die al de familiezaken moest regelen. Zijn vader Henry Wilmot was steeds afwezig, eerst met de royalistische troepen in de Burgeroorlog, en na de overwinning van Cromwell in Frankrijk samen met Charles II, de koning in ballingschap. Hij kon het goed vinden met Charles die hem van burgrgaaf tot graaf had verheven, met de naam Rochester, die door zijn zoon werd overgenomen. De jongen ontwikkelde zich veelbelovend, en nog voor zijn dertiende jaar werd hij toegelaten tot Wadham College in Oxford waar hij op zijn veertiende afstudeerde; dat was ook toen ongewoon, al ging het makkelijker dan nu. In november 1661 vertrok hij met een leermeester op Grand Tour naar Frankrijk en Italië, gefinancierd door een toelage van de koning die zijn vader in hem herkende. Hij toerde drie jaar lang, tot kort voor Kerstmis 1664; toen was hij wijzer geworden in mensenkennis, kunstgeschiedenis en liefdespraktijk.

De rest van zijn leven, hij werd niet ouder dan 33 jaar, heeft hij geregelde betrekkingen onderhouden met het hof, waar het grootste deel van zijn nooit hoge inkomen vandaan kwam. In het eerste jaar na zijn terugkeer maakte hij een goede beurt door dienst te nemen bij de marine voor een expeditie om de Hollandse vloot uit Oost-Indië die met een boog naar Bergen in Noorwegen gevaren was te overvallen en buit te maken, wat ten dele lukte. Het volgende jaar ging hij nog eens mee en bevocht de Hollanders onder De Ruyter in de Vierdaagse Zeeslag. Daarna had hij genoeg van het militaire leven.

Hij werd aangesteld als Gentleman of the Bedchamber, waar hij 1.000 pond per jaar voor kreeg en niet meer dan een week per kwartaal dienst voor hoefde te doen als oppasser en verzorger. Behalve dichter was hij dus in deeltijd hoveling, op zijn eigen manier. Hij was een libertijn in zijn taalgebruik, zijn drinkgewoonten en zijn zeden, tot voldoening van Charles II die liever met onfatsoenlijke mensen te doen had dan met saaie, die genoot van intelligentie en geestigheid, en zelf ook niet ontzien hoefde te worden (zie kader).

ONFATSOENLIJK

In 1666 trouwde Rochester met Elizabeth Mallet, een dochter van een goede familie met een behoorlijke bruidsschat, maar toch weer niet zo groot of zij moest af en toe haar echtgenoot vragen om nog eens wat geld te sturen. Hij bracht het grootste deel van het jaar door in Londen en sprak haar voornamelijk 's zomers als hij naar het huis in Adderbury bij Oxford kwam waar zij hun vier kinderen grootbracht, drie dochters en een zoon.

Als hij weer in Londen was, schreef hij soms brieven aan Elizabeth die redelijker en aandachtiger klinken dan te verwachten was van een man met zoveel andere belangstellingen: feesten en drinkgelagen ten paleize en in de stad, vrouwen van alle standen en dan ook nog de literatuur.

Al had hij plezier in zijn seksuele avonturen, die lijken weinig geholpen te hebben om hem opgewekt te stemmen wanneer hij ging zitten nadenken.

Voorzover bekend was er maar één van zijn vriendinnen in Londen van wie hij een tijd lang meer bleef verwachten. Dat was de actrice Elizabeth Barry, met wie zijn relaties een jaar of drie geduurd hebben. Zij kreeg in 1677 een dochter van hem, wat niet als teken gezien mag worden dat zij hem toegedaan was. Zij haalde ook veel andere mannen in haar bed, op voorwaarde dat zij goed betaalden. De dichter die er bij buien treurig over was, kreeg haar niet klein, en kort na de geboorte van het kind was het uit tussen hen.

Behalve bij vrouwen en drank zocht Rochester af en toe ontspanning in vandalisme en geweldpleging. Hoe vaak hij er 's avonds in het donkere Londen op uitging met een paar vrienden is niet bekend; er zijn weinig gedetailleerde gegevens van zijn levensloop overgeleverd. Een veelbesproken wandaad van hem was de vernieling in 1675 van een heel bijzondere en complexe zonnewijzer in de tuin van het paleis van Whitehall. Hij viel dan wel even uit de gunst van de koning; nooit duurzaam. Zijn langste verbanning van het hof, een week of zes, volgde toen hij betrokken was geweest bij een vechtpartij in Epsom, het plaatsje van de paardenrennen, waar een dode was gevallen. Hij zou opgepakt zijn als hij zich niet vermomd had in een kwakzalverskostuum waarmee hij onder de naam Dr Alexander Bendo op een Londense markt middeltjes ging verkopen aangeprezen in een reclametekst die een bekend stuk proza van hem is gebleven. Niemand doorzag deze Doctor; ook voor acteurswerk had hij talent.

SYFILIS EN NIERSTENEN

Tegen zijn dertigste was Rochester niet alleen afkerig van de mensheid inclusief zichzelf, hij was ook ongezond: syfilis af en aan, nierstenen, andere kwalen misschien, en vaak pijn waar hij naar beste vermogen doorheen leefde.

Toen hij in 1679 begreep dat hij niet lang meer voor zich had, heeft hij vrienden en bekenden verbluft met een bekering tot het Christendom. Totaal onvoorspelbaar had het niet hoeven zijn, van de man die al in 1675 in A Satire against Mankind beschreven had hoe dat vain animal, de mens, na steeds het dwaallicht van de Rede gevolgd te hebben tenslotte merkt: `Na zo lang en zo moeizaam zoeken/ Dat hij het altijd mis gehad heeft' (After a search so painful and so long, That all his life he has been in the wrong). Rochester had in de laatste maanden van zijn leven lange gesprekken met de theoloog en historicus Gilbert Burnet, en voelde zich al zo goed als bekeerd voordat het in april 1680 even iets beter met hem ging. Toen sprong hij op een paard en vergat zijn nieuwe inzicht; een week later lag hij weer in bed en ontving de sacramenten. Eind juni kwam een vriend uit Londen met wie hij veel gedronken had, Will Fanshawe, hem opzoeken en kreeg een heel verhaal te horen over het nieuwe leven. Hij was letterlijk stomverbaasd: hij kon geen woord uitbrengen totdat hij de kamer uit was; toen mopperde hij dat de dichter beschermd hoorde te worden tegen zwartgallige verzinsels (melancholy fancies).

Voor effen rationalisten van driehonderd jaar later, in onze elektrisch verlichte zakelijke wereld, klinkt de bekering op het eerste gezicht misschien nog vreemder. Wie zich enige tijd met Rochester heeft beziggehouden en hem zelfverzekerd en radeloos, briljant en onbehouwen voor ogen kan roepen zal het wel bij hem vinden passen om meer grondslag en meer ruimte voor zijn verbeelding te verlangen. `I know he is a Devil', zei een andere vriend, de toneelschrijver George Etheredge van hem – `but he has something of the Angel undefac'd in him' – waarmee hij bedoeld zal hebben, dat hij een duivel was, met iets van een engel in hem, onbeschadigd door zijn levenswijze en ondervinding.

Wie het portret ziet dat Sir George Lely in de jaren '70 van hem heeft geschilderd kan zich ook voorstellen wat Etheredge in hem zag. Wij hoeven hem maar een paar minuten te bekijken, enkele regels van hem na te zeggen, er het donkere benarde Londen van 1670 bij op te roepen, en in de verte kaarslicht achter de ramen van Whitehall – en daar komt dan de man met het engelengezicht dronken schreeuwend naar buiten stormen.

Dat is hem. Geen wonder dat iemand een film van hem wil maken.