De klokken van markies Yi

De Chinezen waren geïnteresseerd in absolute toonhoogtes en kenden ver voor Europa chromatische instrumenten. Een monumentaal klokkenspel uit 433 v.Chr. vormt het bewijs.

IN EUROPA is de chromatische toonladder (12 stapjes van telkens een halve toon) pas in de renaissance gemeengoed geworden en verheven tot centraal concept in de muziektheorie en de instrumentenbouw. In China daarentegen werd deze toonladder al 2500 jaar geleden ontdekt en toegepast, zo blijkt nu uit chromatische instrumenten die in de Yangzi-regio uit de grond zijn gehaald.

Op een congres in Amsterdam, dat geheel aan Chinese muziek was gewijd, kwam de Amerikaanse musicoloog Robert Bagley vorige maand met een verklaring voor deze vroege ontdekking van de chromatische toonladder. Volgens Bagley hebben de Chinezen dit abstracte muzikale concept spelenderwijs kunnen ontdekken, doordat zij geïnteresseerd waren in absolute toonhoogtes. In Europa werd toonhoogte heel lang benaderd als iets relatiefs: niet de tonen op zich maar de relatie tussen de tonen – het interval – werd belangrijk gevonden.

De chromatische toonladder verdeelt ieder octaaf in twaalf gelijke intervallen die in de westerse muziekleer `halve tonen' worden genoemd. Uit die twaalf tonen per octaaf kunnen naar believen toonladders van vier, vijf, zes of zeven noten per octaaf worden samengesteld. Vanuit iedere willekeurige noot kan aldus een majeur- mineur- of wat voor toonladder dan ook worden geconstrueerd. Het voordeel van een muziekinstrument dat alle tonen van de chromatische toonladder kan produceren – zoals een piano – is dat men de muziek daarop desgewenst in een hogere of lagere toonladder kan spelen.

Dit nu kan ook bij het monumentale klokkenspel dat in China werd aangetroffen in het graf van de markies Yi van Zeng, die in 433 voor Christus overleed. Het klokkenspel was onderdeel van een compleet orkest dat daar in de grond lag. Naast 65 klokken, samen 2500 kilo, werden er ook 41 stenen van kalksteen gevonden die, als je ze ophangt en er met een klein hamertje op slaat, een mooie heldere toon geven. Zowel klokken als stenen waren gestemd in chromatische reeksen.

Het mooie van de klokken is dat die nog net zo klinken als 2500 jaar geleden. Uit iedere klok kunnen twee verschillende tonen gehaald worden, afhankelijk van waar je tegen de klok slaat. De ene toon is altijd drie halve tonen hoger dan de andere. Zo kan aan de hand van zeven klokken één chromatische toonladder gespeeld worden, want de klokken bevatten achtereenvolgens de tonen 1+4, 2+5, 3+6, etc.

bes en fis

Op de klokken staan inscripties die vertellen hoe de tonen `heten' en wat hun plaats is in de toonladders. De naamgeving lijkt op ons do-re-mi-systeem. De pentatonische toonladder, waar in deze vroege Chinese muziek blijkbaar sprake van was, heet op de klokken: gong shang jue zhi yu. De overige zeven noten van de chromatische toonladder hebben daarvan afgeleide namen, enigszins vergelijkbaar met de manier waarop bij ons Bes en Fis zijn afgeleid van B en F. Daarnaast hebben een paar tonen ook absolute namen: zo is er de `gong' (do) van Wuyi, die van Huangzhong, die van Taicou, etc. Dit wijst er volgens Bagley op dat de Chinezen geïnteresseerd waren in absolute toonhoogte.

Ook aan de stenen is te zien dat de muziek die erop gespeeld werd pentatonisch was. Van de twaalf stenen die samen een chromatische reeks vormen werden er twee keer vijf in aparte doosjes opgeborgen, zo blijkt uit de opschriften van die doosjes. Dat zijn precies twee – complementaire – pentatonische toonladders: C D E G A en Fis Gis Ais Cis Dis. De twee stenen die overblijven (F en B) werden apart opgeborgen in een doosje met het opschrift `Overigen'.

Volgens Bagley heeft de uitvinding en toepassing van het klokkenspel onherroepelijk geleid tot het ontdekken van de chromatiek. In de meeste muziekculturen is de chromatische toonladder niet bekend, omdat toonhoogte gezien wordt als iets relatiefs. Instrumentalisten passen zich aan aan de zangers of zangeressen: door de snaren wat hoger of lager te stemmen of door een fluit te pakken die iets hoger of lager van toon is.

Maar als je met klokken gaat werken, is dat niet mogelijk: die hebben vaste tonen. Bagley toonde aan de hand van andere archeologische vondsten in China aan de klokken oorspronkelijk geen muzikale functie hadden. Hij vermoedt dat het gebruik van klokken in orkesten zich heel geleidelijk heeft ontwikkeld: eerst werd er eentje gebruikt, die toevallig een toon had die de muzikanten goed uitkwam, daarna nog eentje, die een toon had die daar goed bijpaste, bijvoorbeeld een octaaf of een kwint hoger. Zo werd dat langzaam uitgebreid. Vervolgens leerde men, rond 1500 voor Christus, klokken te gieten en kon men het repertoire aan tonen volledig maken.

Klokken hebben een onveranderlijke toonhoogte en bepalen daarmee de tonale mogelijkheden van het hele orkest. Het orkest richt zich niet meer op de toonhoogte van de zanger (die flexibel is) maar op die van de klokken (die vastligt). De chromatische toonladder is dan het principe dat het toch mogelijk maakt om voor een hogere of lagere vertolking te kiezen.

snaar

Deze vroege Chinese chromatiek is waarschijnlijk in de praktijk ontstaan, zonder er al te veel over te theoretiseren. Juist het getheoretiseer over toonhoogte en intervallen heeft er in Europa toe geleid dat de chromatische toonladder hier pas heel laat ingeburgerd raakte. Sinds de Grieken – waarschijnlijk al sinds de Babyloniërs – bestaat er in Europa een traditie om tonen en intervallen wiskundig te benaderen. Een interval wordt gezien als de relatie tussen bijvoorbeeld een langere en een kortere snaar: als je een snaar die een bepaalde spanning heeft de helft korter maakt, door hem halverwege in te drukken, dan ontstaat er een toon die precies een octaaf hoger is. De verhouding van het octaaf is dus, wat snaarlengte betreft 2:1 en wat trillingen (hertz) betreft 1:2. Zo vertegenwoordigt ieder muzikaal interval een verhouding: 2:3 (kwint), 3:4 (kwart), etc.

Wiskundige berekeningen laten zien dat deze ideale intervallen niet precies overeenkomen met de verhoudingen in de chromatische toonladder, die het actaaf in twaalf precies gelijke intervallen verdeelt. De chromatische toonladder is niet meer dan een compromis, een benadering van die ideale intervallen – waar het Europese oor overigens helemaal aan gewend is geraakt.

Pas toen in Europa de toetseninstrumenten populair werden, werd het wiskundige ideaal ingeruild voor het praktische compromis. Het grappige is dat men in China vanaf de derde eeuw voor Christus ook aan het rekenen is gegaan en dat het concept van de chromatische toonladder toen blijkbaar ook heel snel is verdwenen. De klokken en stenen van het orkest van de markies Yi van Zeng zijn dan ook de enige chromatische muziekinstrumenten uit het oude China die nu bekend zijn. Vanwege de inscripties op die instrumenten worden zij beschouwd als het oudste `muziektheoretische document' uit China.