Banen als concessies aan de verzorgingsstaat

Frankrijk trilt na van een herfstrevolte die het land lang zal heugen. De regering heeft maatregelen genomen om de orde te herstellen, waarvan de opvallendste de instelling van een avondklok is. Wie had gedacht dat het nog eens zo ver zou komen: van avondland naar avondklok. Van de drie politieke leiders die zich met de opstand bemoeien – premier Dominique de Villepin, minister van Binnenlandse Zaken Nicolas Sarkozy en president Jacques Chirac – komt Sarkozy het daadkrachtigst over. Waarbij aangetekend moet worden dat een optreden van de regering tegen de relschoppers aanvankelijk te lang op zich liet wachten, mogelijk door politiek gepoker tussen deze drie grote ego's. Geen van hen is al uit de politieke gevarenzone.

Blijvend herstel van recht en orde in de voorsteden, dat nu voorrang heeft, zal moeilijk genoeg zijn. Maar een onmogelijke opgave is het niet. Anders is het gesteld met de aanpak van de onderliggende problemen: de discriminatie en sociale en economische veronachtzaming van honderdduizenden, meest jonge mensen. Geef ze werk, is de veelgehoorde uitlating. Voor stadsregio's met soms meer dan 40 procent werkloosheid is dat inderdaad de remedie. Werk is de beste manier van integratie, kan het gevoel van eigenwaarde oppeppen en draagt bij aan persoonlijke en publieke welvaart. Maar werk is nu juist schaars in de West-Europese verzorgingsstaat. In veel segmenten van de arbeidsmarkt heerst een kenmerkend en notoir gebrek aan werkgelegenheid. Veel – maar niet alle. Naar geschoolde vakkrachten is bijna overal vraag: puntlassers, elektriciens, koelmonteurs, intensive-carepersoneel. Het onderstreept het belang van goede (vak)scholing en vooral het afmaken daarvan.

Frankrijk heeft zich, net als Duitsland, Italië en Nederland, met zijn sociaal-economische arrangementen in de hoek van de verstarring gemanoeuvreerd. Een te korte werkweek, het hoge minimum(jeugd)loon en andere op zichzelf goedbedoelde wetten en regels snoeren de arbeidsmarkt in en beperken de ruimte voor ondernemers. De staat kan wel iets doen aan het scheppen van banen – Nederland heeft dat met zijn Melkert-banen aangetoond – maar de meeste werkgelegenheid moet van het eigen initiatief komen; mensen die zelf een bedrijf beginnen omdat ze daartoe de innerlijke noodzaak voelen.

Daarvoor zijn een aantrekkende economie en een gunstig ondernemersklimaat nodig. Iedereen die in Frankrijk een winkel begint, bedenkt zich nu twee keer voordat hij personeel aanneemt. Dat hoeft maar 35 uur te werken, moet duur worden betaald en kan niet of moeilijk worden ontslagen. De werknemer is eerder hindernis dan hulp bij ondernemen. Voor een jong en klein bedrijf kan één langdurig zieke werknemer al de ondergang betekenen. En het is juist het midden- en kleinbedrijf dat bepalend is voor de mate van werkloosheid in een land.

De cultuuromslag die de West-Europese verzorgingsstaat moet maken is een lastige. De kern ervan – sociale solidariteit – is een beschavingsideaal dat het verdient om in stand te worden gehouden. Tegelijk zal Europa moeten flexibiliseren en saneren in de arbeidsvoorwaarden om zijn massa's aan het werk te houden en om de concurrentie met andere werelddelen aan te kunnen. In de praktijk betekent dit politieke keuzes maken die pijn doen. Op nationaal en op Europees niveau. Wat dat laatste betreft helpt het niet dat de belangrijkste landen van de Europese Unie (Groot-Brittannië, Duitsland en Frankrijk) op dit moment vooral met zichzelf bezig zijn. Tony Blair heeft net een daverende nederlaag in het Britse Lagerhuis geleden, Duitsland worstelt met de grote coalitie en Frankrijk met zijn rebellerende jongeren.

Laat de gebeurtenissen in de voorsteden van Parijs en elders een wake up call voor de Unie zijn. De keus is opstand of meer werk en betere scholing. Maar banen komen pas los na concessies aan de verzorgingsstaat.