Zijn hel was van ijs

Een biograaf van Simon Vestdijk moet een barre tocht maken van de diepe dalen van zijn depressies tot de hoogste toppen van zijn literaire kunnen. Wim Hazeu is de eerste die de reis onderneemt met toegang tot alle bronnen. Hoe ver reikt hij?

Onovertroffen is Simon Vestdijk (1898-1971) na zijn dood beschreven in een gedicht van zijn tijdgenoot A. Roland Holst die hem in zijn laatste depressie aantrof. `Ik wist niet dat twee open ogen/ Zo leeg konden zijn'. De dichter kon die blik niet ontwijken. `Het was kort voor zijn laatste reis/ Doodstil zat hij naar mij te kijken/ uit een hel van ijs.'

Wie zich waagt aan een biografie van Vestdijk onderneemt een zware expeditie. Het is eerder geprobeerd, door de in 2001 overleden Hans Visser, die ondanks tegenwerking al ver was gekomen, en nu nogmaals, met ruimhartiger hulp en met de beschikking over voorheen ontoegankelijk bronmateriaal, beproefd door Wim Hazeu, die ijveriger dan wie ook de dodenakker van de Nederlandse letterkunde omwoelt en eerder biografieën van Achterberg, Slauerhoff en Esscher publiceerde.

Er is plaats voor en behoefte aan een tweede biografie over Vestdijk en ongetwijfeld zullen er andere volgen. Hoe meer waaghalzen de vrieskou trotseren van de bergtop die Vestdijk in de Nederlandse literatuur was en de diepe, door geen zonnestraal bereikbare dalen onderzoeken waarin de schrijver zo vaak verbleef, hoe meer uitzichten en inzichten wij krijgen. Maar ontoegankelijk blijft ook voor deze biograaf de hel van ijs waarin Vestdijk verkeerde tijdens zijn vrijwel jaarlijks terugkerende depressies, depressies die zijn werk hebben bepaald. Hij was geen kluizenaar, schrijft Hazeu. Dat wisten we al van de vele foto's waarop hij zich met andere literatoren vermaakt en van de verhalen over zijn liefdes. Maar al was hij geen kluizenaar, hij blijft in de biografie ver van ons weg in zijn eenzame kou.

Typerend is het verhaal – of beter: zijn de tegenstrijdige verhalen – over zijn sterfbed. De beroemde romancier, dichter, essayist en Nobelprijskandidaat overleed op 23 maart 1971 in het Academisch Ziekenhuis te Utrecht op 72-jarige leeftijd. Zes jaar eerder was hij getrouwd met de veertig jaar jongere Mieke van der Hoeven met wie hij twee kinderen had. In de biografie waarop Wim Hazeu gisteren aan de Rijksuniversiteit Groningen promoveerde, staat dat de doodzieke Vestdijk `geen enkel ander bezoek dan van Mieke en de kinderen' wilde ontvangen. De bron van deze mededeling is Mieke Vestdijk en dan voornamelijk haar in 1993 gepubliceerde Afscheid van Simon.

In de biografie van Visser, Simon Vestdijk. Een schrijversleven uit 1987 stond het anders. Het sterfbed was zwaar, temeer daar zijn jonge vrouw hem ieder bezoek ontzegde. De reden was dat Vestdijk – wegens zijn terugkerende depressies en de fixatie op zijn werk ongeschikt voor een gezinsleven – op een echtscheiding had aangedrongen. Mieke wilde dit geheim houden en hield daarom belangstellenden buiten de deur. Slechts twee mensen wisten tot het sterfbed door te dringen: Germaine de Vries, echtgenote van Vestdijks studievriend Mick de Vries en de verpleegster Jeske Andreoli-Vestdijk, een nichtje van de schrijver. Germaine kwam erachter dat Mieke zich vijandig jegens haar echtgenoot opstelde en naar zijn dood uitkeek, van Jeske Andreoli is de mededeling afkomstig dat Vestdijk wilde scheiden.

Het merkwaardige van Hazeus Vestdijk-biografie is dat hij Vissers versie van het sterfbed niet bevestigt of betwist, maar eenvoudigweg negeert. In zijn summiere inleiding laat Hazeu de biografie van zijn voorganger zelfs ongenoemd. Tezamen met twintig anderen wordt Hans Visser slechts vermeld als `onbetwiste leesbereider'. Wat Hazeu uiteindelijk presenteert is, alle door Visser opgevoerde bronnen negerend, de visie van de weduwe op Vestdijks leven en op de betekenis van zijn werk. De meeste dank gaat dan ook uit naar `mevrouw Vestdijk en haar kinderen voor de onvoorwaardelijke steun die zij mij gaven'.

Dat laatste is mooi, maar het ontslaat Hazeu niet van de plicht zich als biograaf te verstaan met het werk van zijn voorgangers; niet alleen dat van Visser, maar ook dat van Nol Gregoor, huisvriend van Vestdijk en maker van talloze radio-interviews met en publicaties over de schrijver. Hij wordt ergens, pagina 577, weggezet als `stalker' en `gedreven roddelaar' voor wie Vestdijk in de jaren vijftig `capituleerde', in ruil voor `diverse diensten'. Intussen is de naam Gregoor al tientallen keren gevallen zonder dat een oningewijde lezer kan weten wie in vredesnaam deze achteraf onbetrouwbaar geachte bron is aan wie Hazeu niettemin zoveel gegegens ontleent.

Dankzij Gregoor en Visser kennen we veel details over het autobiografische gehalte van de in Vestdijks geboorteplaats Harlingen (Lahringen) spelende Anton Wachter-cyclus en weten we ook dat tal van zijn andere (in totaal 52) romans direct verwijzen naar zijn eigen leven en liefdesavonturen. Vrijwel al zijn geliefdes (bij voorkeur verpleegsters, dienstbodes en toen hij oud was jonge studentes) komen – om te beginnen bij Lies Koning alias Ina Damman – in zijn romans voor.

Toch heeft Hazeu wel een en ander aan het al bekende materiaal toe te voegen. Hij kreeg inzage in de briefwisseling tussen Vestdijk en Henriëtte van Eyk (de schrijfster met wie Vestdijk vanaf 1946 een tien jaar durende verhouding had), een correspondentie die de weduwe-Vestdijk voorheen achterhield omdat er `niets smakelijks' in zou staan.

Het belang van deze brieven is dat ze een licht werpen op Vestdijks relatie met zijn vroegere hospita Ans Koster met wie hij dertig jaar zijn leven deelde én op zijn depressies die hem vanaf zijn zeventiende tot aan zijn dood hebben gekweld. `Als ik deze grapjes niet had', schreef Vestdijk in juli 1946 aan Henriëtte van Eyck, `was ik een totaal ander mensch, met andere gevoeligheden, waarschijnlijk zonder speciale talenten, etc. – en ik zou nooit verliefd op jou geworden zijn, en jij niet op mij! Zoo draai je in een cirkel rond; zonder depressie was ,,ik'' ik niet.'

Het beeld van Vestdijk verandert door deze op zichzelf bijzonder welkome aanvullingen niet wezenlijk. Wel inventariseert Hazeu zoals het hoort de voornaamste levensfeiten. Simon, kleinzoon van een in Haarlem op de hoek van Dijkstraat en de Oostvest gevonden vondeling die naar een combinatie van deze straatnamen Vestdijk werd genoemd, groeide als enig kind op in Harlingen, waar zijn vader sportleraar was. Al tijdens zijn puberteit kreeg hij zijn eerste door een stofwisselingsstoring in de hersenen veroorzaakte depressie. Hij ging medicijnen studeren in Amsterdam, waar hij – voortdurend op zoek naar een onbereikbare geliefde – als erotomaan door het leven ging. Omstreeks zijn 25ste besefte hij de verkeerde studie gekozen te hebben, al was het alleen maar omdat hij erachter kwam dat er voor zijn eigen ziekte ondanks allerlei therapieën geen genezing bestond. Liever wilde hij componist worden, wat met zijn muzikale aanleg en scholing een goede optie was. Zijn hele leven heeft hij gemusiceerd (piano) en over muziek gepubliceerd.

Na zijn afstuderen werkte hij korte tijd als waarnemend arts en – in navolging van zijn studiegenoot Slauerhoff – als scheepsarts, tot hij besloot om als remedie tegen zijn depressies te gaan schrijven. Een explosie van gedichten bracht hem in de jaren dertig in contact met literatoren rond het tijdschrift Forum als Menno ter Braak en Eddy du Perron wier nihilistische wereldbeeld hij omarmde. In die tijd woonde Vestdijk nog bij zijn ouders in Den Haag – zoals beschreven in de roman Else Böhler, Duits dienstmeisje – totdat hij in 1935 op kamers kwam bij de zeven jaar oudere weduwe Ans Koster. Binnen een dag deelde hij het bed met haar. Om haar weduwenpensioen veilig te stellen trouwden ze niet, wel bleven ze tot Ans' dood in 1965 samenwonen, voornamelijk in Doorn. Lange tijd was de spiritistische Ans de enige die mocht weten van zijn depressies, waartegen hij tevergeefs met elektroshocks en medicijnen werd behandeld. In de periodes dat hij niet depressief was en een manische productiviteit aan de dag legde, maakte zij het mogelijk dat hij ongestoord kon werken. Wel was ze jaloers: minnaressen van Vestdijk bedreigde ze met spiritistische experimenten, Vestdijk werd gestraft met telepathische acties die hem uit zijn concentratie moesten halen.

Tijdens de oorlog, na de dood van zijn vrienden Ter Braak, Du Perron en Marsman verbleef hij als gijzelaar in St.Michielsgestel waar hij een opzienbarende en moedige lezing hield over Kafka. Op een medische indicatie en de belofte dat hij lid zou worden van de Kultuurkamer kon hij uit het kamp ontslagen worden. Zelf voelde hij dit als verraad, maar onduidelijk – ook voor hemzelf – is of hij zich daadwerkelijk voor dit door nazi's geleide schrijversgilde heeft aangemeld.

Na 1945 nam Vestdijk het op voor jonge talentvolle schrijvers als Van het Reve en Hermans, die evenals hijzelf werden aangevallen wegens hun onzedelijke romans. Dankzij zijn relatie met Henriëtte van Eyk vertoefde hij regelmatig in Amsterdam, hij bezocht er het Boekenbal en was ook aanwezig op literaire manifestaties waar hij gehuldigd werd, zoals de uitreiking van de P.C. Hooftprijs in 1951 en een eredoctoraat in Groningen. Intussen hielden zijn depressies en zijn jacht op onbereikbare vrouwen ook na Ans' dood aan. Op zijn 67ste verjaardag belde Mieke van der Hoeven, een meisje op wie hij tien jaar eerder al eens verliefd was geweest en dat in zijn roman Het glinsterend pantser figureerde als Adri Duprez. Ze trouwden binnen een paar maanden.

Mieke, die een bijna spreekwoordelijke rol als schrijversweduwe is gaan spelen na Vestdijks dood, heeft nu waarschijnlijk de biografie van haar man die zij gewild had. Nadat in 1981 Hans Visser en Anne Wadman van De Bezige Bij de opdracht kregen een Vestdijk-biografie te schrijven keurde zij als lid van de begeleidingscommissie een proefhoofdstuk af, omdat de biografen Vestdijks erotiek als een rode draad door hun levensbeschrijving lieten lopen terwijl volgens haar `Vestdijk geen erotische man was' en erotiek in zijn werk geen belangrijke rol speelde. Prof. dr. Gerrit Borgers, die Vestdijk zeer goed had gekend, stapte naar aanleiding van het conflict uit Miekes Stichting Administratiekantoor Auteursrechten Simon Vestdijk. Volgens hem had Vestdijk hem in een brief tegen zijn vrouw gewaarschuwd. `Ik van mijn kant, heb zekere personen al verboden om ruzie te maken of vervelend te zijn boven mijn lijk, maar ik ben er helemaal niet gerust op.'

Naar deze brief van Vestdijk aan Borgers is het vergeefs zoeken bij Hazeu, die ook overigens nooit een vraagteken plaatst bij de betrouwbaarheid van de weduwe als (dikwijls enige) bron. Dat is des te opmerkelijker omdat de relatie tussen biograaf en weduwe niet altijd vlekkeloos is geweest. Hazeu dreigde haar in 1991 zelfs met een smaadproces, omdat Mieke Vestdijk over zijn biografie van de dichter Gerrit Achterberg in HP/De Tijd had gezegd dat dit boek de dood van de weduwe Achterberg had veroorzaakt.

Wat zich heeft afgespeeld tussen die dreiging met een smaadproces tegen de Mieke Vestdijk en haar onvoorwaardelijke steun aan zijn biografie is onbekend, maar het valt wel op dat alles wat in eerdere publicaties over Vestdijk de ontstemming van de weduwe heeft gewekt, in deze biografie ontbreekt.

Bijvoorbeeld de inmiddels beruchte `Brief aan een geliefde' die Vestdijk schreef voor het tijdschrift Forum, maar die nooit is gepubliceerd. De brief was volgens de biografie van Hans Visser gericht aan een onbereikbare jeugdliefde, Joukje Appeldoorn, die ook figureert in Vestdijks boeken De laatste kans en Heden ik, morgen gij. Mieke wenste dit uit de publiciteit te houden, zoals ze al Vestdijks geliefden – en dat waren er nog al wat – wilde verdonkeremanen. Hazeu noemt Joukje Appeldoorn wel, maar zwijgt over de ongepubliceerde `Forumbrief' die ik – na alle ophef erover – nu eindelijk wel eens had willen lezen. Visser mocht hem niet publiceren van de weduwe, Hazeu die in 2001 in een interview verklaarde een contract met Mieke Vestdijk te hebben `waarin staat dat ik alles mag lezen en overal uit mag citeren' wilde het kennelijk niet.

Een andere `kleinigheid': Visser heeft beschreven hoe Vestdijk contact bleef houden met voormalige geliefdes. Zo ook met Maria Schrader, die model stond voor Else Böhler uit de beroemde gelijknamige roman. Visser heeft Maria Schrader gesproken en uit haar mond opgetekend dat Vestdijk haar in 1965, een paar dagen voor hij in ondertrouw ging met Mieke, `nog eenmaal' ten huwelijk vroeg. `Als zij weigerde trouwde hij met Mieke.' Niets daarover bij Hazeu, die voor het overige alle feiten over Maria Schrader wél overneemt.

Een laatste voorbeeld van verhulling in plaats van onthulling in deze biografie betreft het stilzwijgen over een vermeende homoseksuele kant van Vestdijk die volgens de biografie van Visser zou zijn gebleken tijdens zijn verblijf als gijzelaar in St. Michielsgestel. Volgens een mede-gijzelaar, dominee Wijbenga, worstelde hij daar ernstig mee. In deze krant schreef P.M. Reinders daarover: `Voor wie Vestdijk goed gelezen heeft komt die opmerking over zijn homoseksuele kant niet helemaal als een verrassing'. In zijn ogen had Visser met dit gegeven te weinig gedaan. Hazeu heeft er helemaal niets mee gedaan. Niet dat je in een biografie iedere roddel waarvoor maar één bron is, moet opnemen, maar Hazeu maakt zelfs in zijn noten, waarin Wijbenga drie maal wordt genoemd, geen melding van diens suggestie. Wel onthult hij – maar zonder bronvermelding – dat Vestdijk zijn jaloerse levensgezellin Ans Koster in 1952, tijdens zijn relatie met Henriëtte Van Eyk, `een lijfelijke afstraffing' gaf. Huiselijk geweld achter de voordeur in Doorn.

Nieuwtjes bevat de biografie dus wel. Eind jaren veertig had Vestdijk bij prof. H.C. Rümke willen promoveren op de pas in 1968 gepubliceerde studie Het wezen van de angst, handelend over zijn eigen ziektebeeld. Hazeu heeft achterhaald waarom de promotie niet doorging. Aan Willem Brakman vertelde Rümke dat Het wezen van de angst te veel `een compilatie' was, die niet voldeed aan de eisen van een proefschrift. Een soortgelijke kritiek is van toepassing op deze biografie waarop Hazeu nu is gepromoveerd. Het boek draagt te veel het karakter van een compilatie van citaten, brieffragmenten en oordelen van anderen.

De Vestdijkbiografie van Visser is indertijd gekraakt wegens de slechte schrijfstijl, de overladenheid en het gebrek aan hiërarchie. Wim Hazeu brengt het er op deze punten niet veel beter vanaf. Hij is, zo bleek al eerder, geen begenadigd verteller. Het lukt hem niet om personen of gebeurtenissen die in Vestdijks leven een rol speelden op een organische wijze te introduceren in zijn tekst. Om dit probleem op te lossen last hij `intermezzo's' in die het verhaal hinderlijk onderbreken. Bizar is dat Hazeu nog voordat Vestdijk ooit van Henriëtte van Eyk had gehoord, haar al uitvoerig opvoert. Pas op pagina 535 – de relatie met Henriëtte van Eyk duurt dan al drie jaar – krijgt haar broer een `intermezzo' waardoor we eindelijk iets te weten komen over de achtergrond van deze zo belangrijke geliefde.

Maar de grootste zwakte van deze biografie is dat een exegese van Vestdijks oeuvre ontbreekt: over het werk van Vestdijk staat geen zin of typering die Hazeu zelf heeft verzonnen. Een eigen visie op het werk van Vestdijk en op diens betekenis geeft hij niet, het wezen van Vestdijks angsten is niet doorgrond, zijn universum, die hel van ijs, is wel van buiten aanschouwd, maar bij lange na niet betreden.

Wim Hazeu: Vestdijk. Een biografie. De Bezige Bij, 1003 blz. €39,90

Rectificatie / Gerectificeerd

In het artikel Zijn hel was van ijs (Boeken, 11 november, pagina 27), over de Vestdijk-biografie van Wim Hazeu, zijn de vijfde en zesde kolom verwisseld. Daardoor lijkt het alsof Vestdijk tijdens de oorlog zijn `Brief aan een geliefde' schreef in plaats van `een opzienbarende en moedige lezing over Kafka'. De correcte tekst van de recensie staat op www.nrc.nl