Vechten tegen de versnoeziging

Marijke Höweler is een schrijfster die je gemakkelijk uit het oog verliest; al was het alleen maar doordat haar carrière met horten en stoten verloopt. Na haar debuutbundel in 1964 publiceerde de klinisch psychologe achttien jaar geen fictie, waarop ze een succesrijke comeback maakte met de satirische trilogie Van geluk gesproken/ Bij ons schijnt de zon/ Ernesto (1982-1984). Vanaf dat moment verscheen er elk jaar een roman of een verhalenbundel waarin Höweler haar handelsmerk – laconiek gepresenteerde maatschappijkritiek – steeds iets minder pregnant etaleerde. Totdat ze in 1994 helemaal stil viel, om acht jaar later voorzichtig terug te komen met de matig ontvangen literaire sleutelroman Onder de gordel.

De laatste paar titels heb ik gemist. Ik herinnerde me de Ernesto-trilogie als een hoogtepunt van de jaren tachtig, maar had die niet durven herlezen uit angst dat de onverbiddelijke tijd er de tanden in had gezet – laat staan dat ik me waagde aan de nieuwe Höwelers. Ten onrechte misschien, want de nu verschenen roman Over de streep bewijst dat haar pen nog steeds scherp is en haar humor bijtend. En dat terwijl Höwelers onderwerpen serieuzer zijn dan ooit: de aftakeling van een vader en een dooretterend moeder-dochterconflict.

Höweler was altijd al de meesteres van de openingszin, en ook in Over de streep stelt ze niet teleur. `Ik had het me zo anders voorgesteld' vertrouwt de zestigjarige hoofdpersoon ons toe; `boeken schrijven, bloemen kweken, nadenken, Tolstoj lezen, vriendschappen en vergezichten.' Waarna ze opmerkt dat haar bestaan is verkeerd in kruiswoordraadsels, borduurpatronen en soms een begrafenis. `De dagen spoelen af en aan. Ik bekijk ze met een glazen oog, kauw ze met rubber kiezen en vul alvast twee E's in omdat plaats in Gelderland Epe of Ede is. Als me gevraagd wordt hoe ik me voel, dan wil ik weten hoeveel letters.'

De toon is gezet; de rest van het boek zijn we in het gezelschap van de cynische Julia, een kinderloze psychotherapeute die nergens meer enthousiast over kan worden. Door middel van gesprekken met een denkbeeldige psychiater – knetterende dialogues intérieurs – probeert ze de oorzaak van haar geestelijke problemen boven tafel te krijgen, en natuurlijk komt ze daarbij al gauw uit bij haar vroege jeugd en de relatie met haar ouders. Julia is een soort koekoeksjong; een intelligent meisje met grote ambities dat vóór alles weg wil komen uit het eenvoudige Betuwse en later Eindhovense milieu waarin ze opgroeit. Dat lukt, zelfs al helpen haar vader en moeder niet bepaald mee. Maar wanneer vele jaren later haar ouders hulpbehoevend worden (en haar vader naar een verpleegtehuis gaat), moet Julia lijdzaam toezien hoe ze wordt teruggezogen in het moeras van alles waaraan ze heeft proberen te ontsnappen: de armoedigheid, de (door haar moeder) aangeprate schuldgevoelens, de schijnbaar schimmige rol van haar vader in de oorlog, de moeizame relaties met haar broer en zuster.

Het verhaal van Julia bestaat voor meer dan de helft uit herinneringen en dat terwijl ze zegt dat ze niet zoveel opheeft met herinneringen. Voor een reconstructie zijn ze een slechte leidraad: `Je kunt net zo goed de kaart van Afrika nemen om de weg in China te ontdekken.' Maar wat nog erger is: ze zijn meestal vertekend of vals, zoals Julia in de confronterende gesprekken met haar moeder moet inzien. `Wat je overhoudt is een handjevol beelden dat niet uitgewist werd omdat er niemand bij was om ze recht te zetten. Het wordt tijd dat de laatste getuigen sterven voordat ze mijn hele leven hebben opgesoupeerd.'

Veel verhaal zit er niet in Over de streep. Zonder het plezier van de lezer te vergallen, kunnen we zeggen dat Höweler slim in het midden laat of Julia na het slotstuk van de roman – de dood van haar vader – uit haar depressie raakt. Het gaat in Höwelers achtste roman om de stem van Julia, om haar spottende opmerkingen over haar eigen falen (`ik was immers expert in het zoeken van de verkeerde oplossing voor het verkeerde probleem') en dat van de wereld om haar heen. `Ik vecht tegen de versnoeziging, dokter,' zegt ze naar aanleiding van haar jeugdervaringen op de Montessorischool; `de poppenhuistranen. Het knuffeldierleed! De zuurstokkenromantiek. De waxinelichtjesrouw. De plastic-armbandjessolidariteit.' Julia is een ongeleid projectiel, onmogelijk voor zichzelf, onmogelijk voor haar familie, en misschien ook wel onmogelijk voor sommige lezers, die op den duur moeite kunnen krijgen met het ironische toontje. Gelukkig maar dat een deel van de herinneringen is gegoten in de taal van het kind dat Julia ooit was.

Höweler heeft patent op tobberige personages, die niettemin een blijmoedige indruk maken. Het leed in Over de streep is echt genoeg, maar de zelfspot van Julia zorgt ervoor dat de lezer niet gedeprimeerd raakt. Bovendien weet ze haar cynisme subtiel te verwoorden. Neem bijvoorbeeld de scène waarin de demente vader met een theelepeltje de foto van een puddinkje in een eettijdschrift te lijf gaat. `Daarna legt hij het opzij en gaat door met zijn vingers, ingespannen en geconcentreerd. Ik kijk verbijsterd toe. ,,Vind je het lekker?'' vraag ik.'

Dat je om deze pijnlijke zinnen kunt glimlachen, is een compliment aan de schrijfster.

Marijke Höweler: Over de streep. Atlas, 174 blz. €18,50 (geb.)