Vastgeklonken tussen het beton

Franse romans en verhalen maken haarscherp duidelijk hoe moeilijk het leven in de voorsteden is.

In literatuur over de banlieues, of het nu die van Parijs of die van andere buitenwijken van grote Franse steden betreft, worden alle elementen die aan de basis staan van de huidige geweldsuitbarstingen benoemd, verbeeld en becommentarieerd. Discriminatie, uitsluiting, macabere huisvesting, problemen op school, onvrede, werkeloosheid, verveling, terugverlangen naar het dorp van herkomst – dat zijn de thema's in deze literatuur. Je hoeft geen socioloog te zijn om de link te leggen met de huidige onlusten. Het beeld dat opdoemt is dat van ware getto's, synoniem met misdaad en geweld, roofovervallen en straatterreur. Een banlieusard is per definitie een loser.

Een van de eerste en nog steeds een van de sterkste romans die er over de banlieues verschenen is, is Le gone du chaâba uit 1986, de debuutroman van Azouz Begag, tegenwoordig minister voor de Bevordering van Gelijke Kansen en een van de eersten die fel reageerden op de `zero tolerance'-uitspraken van zijn collega op Binnenlandse Zaken, Nicolas Sarkozy. Discriminatie en uitsluiting zijn de kernproblemen, betoogde hij – en die moeten worden aangepakt.

Begag kan het weten: hij is niet alleen, als zoon van Algerijnse ouders, opgegroeid in de banlieues van Lyon, hij heeft ook als econoom en socioloog onderzoek verricht naar de problematiek en schrijft bovendien al ruim twintig jaar romans waarin de positie van de kansarme, uit Noord-Afrika afkomstige, in de buitenwijken wonende Fransman met realiteitszin en een flinke dosis humor wordt beschreven. Zijn autobiografische debuutroman gaat over een Algerijnse familie die de misère in eigen land ontvlucht, eerst een golfplaten onderkomen bouwt en later terecht komt in de flats in de buitenwijken van Lyon. Op iedere pagina illustreert Begag de diepgewortelde vooroordelen en het wederzijdse onbegrip tussen Fransen en hun van origine Arabische medebewoners.

De Frans-Senegalese schrijfster Marie Ndiaye belicht op vaak absurdistische wijze het vreugdeloze leven in grijze Franse buitenwijken en betonnen winkelcentra. Haar personages nemen, als reactie op hun achterstelling en uitsluiting, hun toevlucht tot het occulte en het fantastische: de verbeelding redt hen van schrikbarende eenzaamheid. De Frans-Spaanse auteur Lydie Salvayre, in het dagelijks leven psychiater in de Parijse banlieue, situeerde er verscheidene van haar romans. Ook zij vond alleen in het hilarische en het absurde woorden voor de dramatische toestanden die zij er observeerde. In één van haar boeken maken verwende toeristen, die uit zijn op een charitatieve kick, een toeristisch tripje langs Europa's sloppenwijken en genieten zij met volle teugen van de uitgebrande auto's die zij er aantreffen. Michel Houellebecq liet in Platform zijn bereisde, kapitaalkrachtige hoofdpersonen een exclusief restaurant bezoeken in een niet nader genoemde banlieue, maar deed dat niet niet zonder te suggereren dat bij iedere slok grand cru iemand vlak in de buurt op een gewelddadige manier werd beroofd.

Ook in de romans van de van oorsprong Afrikaanse schrijfsters Calixthe Beyala en, recenter, Fatou Diome, knokken immigranten om een plek in de Franse samenleving. Ze worstelen met ontheemding en nostalgie, voelen zich een eeuwige buitenstaander, terwijl ze 's morgens vroeg kantoren dweilen en 's avonds gebogen zitten over hun studieboeken. De van oorsprong Senegalese Fatou Diome, opgevoed door een analfabete grootmoeder, is inmiddels gepromoveerd, werkzaam aan de universiteit van Straatsburg en presentator van een televisieprogramma. Haar alter ego verhaalt hoe zij in Senegal een sprookjeshuwelijk sloot met een jonge Fransman die een paar maanden in het land werkte, met hem naar Straatsburg vertrok en vervolgens werd weggepest door haar schoonfamilie: een zwarte vrouw in de familie, zwarte kleinkinderen in het verschiet – onacceptabel.

Oud worden in de banlieues is helemaal een schrikbeeld. In haar meest recente roman, Het verloren woord, laat Assia Djebar haar hoofdpersoon, die overigens een goede baan heeft, met vervroegd pensioen gaan omdat hij het niet langer uithoudt in de kille omgeving waarin hij leeft en terugverlangt naar de kashba waar hij is opgegroeid. En wie herinnert zich niet het schokkende boek van de inmiddels overleden Samira Bellil, Ontsnapt uit de hel, waarin zij, bij wijze van therapie, verslag doet van de verkrachtingen waarvan zij het slachtoffer was in de Parijse banlieue waar ze woonde.

Daar verandert zelfs een redelijk optimistisch boek als Morgen kifkif van de jonge Frans-Algerijnse schrijfster Faïza Guène niets aan. Zij schreef een boek over de cité waarin zij opgroeit, even buiten Parijs, maar zonder opsomming van gewelddadigheden en zonder de inktzwarte uitzichtloosheid waar de literatuur over de banlieue ons toe nu toe van doordrong. De meisjes worden niet geslagen, uitgescholden of verkracht, ze vinden een stageplaats en weten te ontsnappen aan de controle van hun oudere broers.

Opvallend is dat in het werk van al deze schrijvers over de banlieues nauwelijks een religieus element is te ontdekken. Er doemt een beeld uit op van een generatie die niet geaccepteerd wordt, die er niet in slaagt de sociale ladder te beklimmen, die hopeloos vastzit. Het zijn verhalen, kortom, over losers die weigeren nog langer losers te zijn.

Het werk van Azouz Begag verschijnt bij Le Seuil; dat van Marie Ndiaye verschijnt in vertaling bij De Geus evenals dat van Lydie Salvayre en Assia Djebar; Michel Houellebecq bij De Arbeiderspers, Faïza Guène bij Sijthoff, Fatou Diome bij Sirene en Samira Bellil bij Arena.