Two of a kind

Vinden wat je niet gezocht had – musea zijn bij uitstek de plaats waar dat kan gebeuren. Mij overkwam het onlangs in het Museum voor Moderne Kunst in Arnhem, waar ik een tentoonstelling bezocht van Hendrik Valk (1897-1986), een verfijnde realist.

Een mooie tentoonstelling van een man met een klein, maar overtuigend oeuvre. Mijn belangstelling voor hem werd enkele jaren geleden gewekt op een veiling in Amsterdam, waar ik Cees Nooteboom voor een zacht prijsje enkele `Valkjes' zag kopen.

Het laatste zaaltje in Arnhem bevat ook het laatste, en voor mij beste, werk van Valk, die na zijn pensionering als leraar in 1962 juist zijn grote bloei beleefde. Er hangen sobere portretten van `Loesja', een Poolse zangeres, van een moeder en dochter, van Valks dochter Else, van een jong paar, en van Gerrit Komrij – een mij onbekend schilderij uit 1979.

Ik wilde al, volledig verzadigd, het museum verlaten, toen mijn oog viel op een groot aantal schilderijen die her en der zonder titel aan de wand hingen. Ze bleken te horen bij een ándere tentoonstelling, getiteld Van de straat, die pas morgen geopend zal worden. Ook dit was prachtig werk, zij het directer en realistischer dan dat van Valk.

Eén doek herinnerde ik me van de tentoonstelling Kijken is bekeken worden, een keuze die Komrij in 1996 uit de kelders van Het Stedelijk maakte. We zien twee straatmuzikanten, de een speelt accordeon, de ander zingende zaag, ze dragen beiden zo'n pet uit de jaren dertig en ze worden gadegeslagen door een politieagent.

,,De heren zijn een paar'', schreef Komrij erover. ,,Two of a kind. Ze spelen elkaars muziek. Ze klinken bedreigend. Ze vallen erotisch uit de toon. In de verte nadert dan ook een politieagent.''

Van wie was dit schitterende schilderij ook weer? Het bleek, hoe kan het anders, Zingende zaag te heten en het is van de hand van de Amsterdammer Johan van Hell, die van 1889 tot 1952 leefde, een generatiegenoot dus van Hendrik Valk. Van Hell was een overtuigd socialist én klarinettist (hij speelde vaak in het Concertgebouworkest, maar sloeg een vaste aanstelling af).

In het `Biografisch Woordenboek van het Socialisme en de Arbeidersbeweging in Nederland' schrijft Ger Harmsen over hem: ,,Om geld was het Van Hell nooit te doen, hij was tevreden met een sober bestaan. Zijn zwager herinnert zich hem als een gezellige, vriendelijke man met een intense belangstelling voor alles om hem heen. Hij kende iedereen in de Transvaalbuurt, waar hij jaren woonde.''

Van Hell schilderde bij voorkeur straatmuzikanten, marktkooplui, venters en volkstaferelen. Hij draagt als schilder zijn socialistische boodschap zelden expliciet uit, het zijn vooral weemoedige, vaak licht humoristische sfeerbeelden. Na zijn dood raakte Van Hell in de vergetelheid, totdat Thom Mercuur, een museumdirecteur in Franeker, hem in 1976 herontdekte.

Ik weet niet of Valk en Van Hell elkaar hebben gekend, maar ze kwamen in ieder geval in míjn hoofd even bij elkaar, dankzij Komrij en het Arnhemse Museum voor Moderne Kunst.