Troostkunst

Van Gorter tot Gorter, dat is in een notendop het deze week verschenen boek de Kracht van Kunst, waarin de PvdA een nieuw kunstenbeleid uiteenzet. De opstellers gaan diep in op de geschiedenis van het sociaal-democratisch kunstbeleid, tot en met de dichter Herman Gorter die rond 1900 schreef: ,,Het socialisme groeit. Breed wordt zijn rots!'' Het boek is ook een neerslag van vele gesprekken met kunstenaars, zoals de filmmaakster Jessica Gorter (geen familie) die klaagt dat veel varkens de spoeling dun maken in de kunstsector.

De rondgang door de kunstwereld levert een aardig beeld op van de kwalen van de kunstsector: bureaucratie en overdaad. Zo vertelt acteur Gijs Scholten van Aschat dat een bedrijf in een voorstelling van hem wilde investeren, maar daarvan afzag omdat het ook nog veel belasting moest betalen. En eerder genoemde filmmaakster Jessica Gorter beschrijft dat zo veel jonge mensen tot kunstenaar worden opgeleid, dat er te weinig geld is om het werk van al die (beginnende) kunstenaars te financieren.

De wildgroei in de kunst geldt al langer als een probleem. Zo is het aantal culturele instellingen dat subsidie krijgt de afgelopen tien jaar explosief toegenomen. Om die reden wil staatssecretaris Medy van der Laan (Cultuur, D66) haar adviesorgaan, de Raad voor Cultuur, alleen nog laten oordelen over grote instellingen; de kleinere moeten hun subsidie maar aanvragen bij de sectorfondsen. Zo worden Tweede-Kamerleden door minder lobbyisten van culturele instellingen lastiggevallen.

De PvdA gaat nu een stap verder. De politici zetten de grote lijnen voor het kunstbeleid uit, een Kunstraad verdeelt de subsidies. Zo gaat het ook in Groot-Brittannië, waar de Arts Council op behoorlijke afstand van de politici de gelden toewijst. De praktijk leert echter dat ook Britse politici zich nog geregeld bemoeien met de subsidie aan individuele cultuurhuizen.

Andere voorstellen van de PvdA tegen de versnippering lijken dan ook effectiever. Zo vindt de partij het terecht onzin dat elke middelgrote stad zijn eigen kunstopleiding en schouwburg heeft. Liever een paar goede theaters en opleidingen dan veel matige. Voorheen hechtte de partij juist aan (regionale) spreiding van de kunst onder zo veel mogelijk mensen. Nu kiest de de PvdA voor kwaliteit.

Wel grijpen de sociaal-democraten terug op de aloude `verheffing van het volk'. Het was de SDAP die zich in 1923 fel verzette tegen entreegelden voor het Rijksmuseum, het is de PvdA die nu de de musea weer gratis wil maken. Zo moeten veel mensen de weg naar het museum weer vinden. Vooral jongeren, laagopgeleiden en allochtonen lukt dat nog slecht. Om meer mensen te laten deelnemen wil de PvdA de gelden om dat te stimuleren verdubbelen.

Vergroting van de deelname is het meest overtuigende deel van de PvdA-nota. De twee andere peilers van het kunstbeleid, behoud van bestaande cultuur en ontwikkeling van nieuwe, komen minder uit de verf. Veel woorden, weinig helderheid. Kunst die troost en humor biedt? Tegenstellingen overbrugt? Maatschappelijke betekenis heeft?

De praktische uitwerking van deze kreten is zacht gezegd onbeholpen. Zo wil de PvdA voor een `creatieve economie' de audiovisuele sector stimuleren (zoals in Engeland!). Goed plan, net zoals het beëindigen van de film-cv's die vooral fiscale trapezewerkers geld hebben opgeleverd. Maar waarom wordt de aldus bespaarde 23 miljoen euro dan niet besteed aan de audiovisuele sector, maar aan een fonds voor allochtonen en jongeren?

Zo krijgt de `maatschappelijke' waarde van kunst wel erg de overhand. In dat licht is het zelfs huiveringwekkend dat de PvdA voor elke kunstsector een bovenbaas wil om de maatschappelijke betekenis van de dans, de schilderkunst of voorstellingen te beoordelen. Dat is terug naar de jaren zeventig met de hang naar `maatschappelijke relevantie'. Laat de PvdA ook hier gewoon kiezen voor kwaliteit.