Manteau

`De Vlaamse uitgeverij Manteau heeft de neiging de tongen los te maken', schreef Sjoerd van Faassen als inleiding bij een recensie van `Kwaliteit als credo', een boek van Ernst Bruinsma. In zijn recensie schrijft van Faassen dat er `regelmatig gedoe is over het archief van de uitgeverij, waaruit hele stukken zijn verdwenen, en dat – ook al weer na een door mevrouw Manteau veroorzaakte ruzie – onhandig genoeg over twee instellingen verdeeld is geraakt.'

Correct is: Een gedeelte van het archief van de uitgeverij Manteau berust sinds begin 1971 bij het thans tot AMVC Letterenhuis omgedoopte archief- en studiecentrum in Antwerpen. Het bleef jarenlang in de kelder van het AMVC liggen en werd nooit geïnventariseerd. Toen ik in 1988 naar een bejaardenflat verhuisde, waar ik slechts over een beperkte ruimte beschikte, heb ik besloten mijn bibliotheek door een Leidse antiquaar te laten veilen en mijn archief, periode na 1971, te schenken aan de zeer gunstig gekende Koninklijke Bibliotheek in Den Haag. Dit `Haagse' deel van mijn archief heeft vooral betrekking op zaken die Nederland en Nederlandse auteurs aanbelangen, evenals documenten die dateren uit de jaren dat ik als uitgeefster actief was bij Elsevier in Amsterdam. De schenking gebeurde op het ogenblik dat archivering in Antwerpen als problematisch was vastgesteld – en vóór het Vlaamse archiefprobleem een bevredigende oplossing had gekregen.

Een derde deel van het archief van uitgeverij Manteau (met betrekking tot activiteiten in België), evenals een deel van mijn privé-archief, heb ik daarna geschonken aan het AMVC Letterenhuis in Antwerpen, een instelling waarmee ik sinds een paar jaar overigens samenwerk voor een onderzoek naar de geschiedenis van uitgeverij Manteau.

Delen van het archief van de uitgeverij blijken verdwenen te zijn. Het is me niet mogelijk te reconstrueren om hoeveel niet bewaarde of ontvreemde stukken het zou kunnen gaan. Wat ik wel kan is de rijkdom van het Manteau-archief vergelijken met wat overblijft van archieven van andere uitgeverijen in Vlaanderen (waarvan zo goed als niets bewaard bleef) of in Nederland (waar archieven aan de lopende band gesloopt zijn tijdens of in de nasleep van herstructureringen, fusies en dergelijke).

Sjoerd van Faassen schrijft dat ik tijdens de bezetting mijn bedrijf `draaiende hield met hulp van' op het randje van collaboratie balancerende of zelfs voluit met de Duitsers heulende schrijvers als Maurits Roelants en Valère Depauw'. Dit is beledigend en fout.

Een blik op de fondslijst van uitgeverij Manteau in de periode 1940-1944 leert ten eerste dat de literaire productie van beide heren, hoewel niet te verwaarlozen, toch niet van die aard was dat ze de uitgeverij `draaiende' kon houden.

Een nuchtere blik op de feiten leert, ten tweede, dat Roelants na de oorlog niet wegens collaboratie is veroordeeld, terwijl het Belgische gerecht nochtans strenger tegen collaborateurs is opgetreden dan bij voorbeeld de Nederlandse justitie. Depauw kreeg wel een (in de context van die tijd) lichte straf wegens medewerking aan Duitsgezinde bladen, iets wat niets van doen had met zijn activiteiten bij uitgeverij Manteau.

(Dit is een bekorte versie van de brief; de hele tekst is te lezen op www.nrc.nl/opinie.)

Naschift

Sjoerd van Faassen:

Mijn mededeling over de diaspora waarin het archief is geraakt, ondersteunt mevrouw Manteau min of meer, al denkt ze kennelijk van niet. Dat er delen van het archief verdwenen zijn: zou dat misschien komen doordat bijvoorbeeld op de veiling van haar bibliotheek documenten betreffende Jeroen Brouwers en Julien Weverbergh onder de hamer kwamen?

Dan de oorlog. Roelants was de door de Duitsers ontslagen August Vermeylen opgevolgd als beheerder van het Brusselse Paleis voor Schone Kunsten, speelde als voorzitter van de Vereniging van Vlaamse Letterkundigen een kwalijke rol, werkte tot mei 1944 voor het gelijkgeschakelde Nederlandse dagblad De Telegraaf en was met voluit foute schrijvers betrokken bij de (mislukte) oprichting van het tijdschrift De Stroom. Me dunkt, in Nederland zijn mensen wel voor minder veroordeeld. In het fonds van Manteau doken bovendien in de oorlog ineens niet alleen foute Vlaamse auteurs als Filip de Pillecijn en Jozef de Belder op, maar ook Duitstaligen als Ernst Jünger en de zeer foute Joachim von Göltz. Het is allemaal na te lezen in de waardevolle studie van Ernst Bruinsma.