`Kunstenaar is eerste slachtoffer van succes creatieve stad'

Tegelijk met het bezoek van Richard Florida aan Nederland verschenen er deze week twee boeken over de creatieve stad, een nieuw jaarboek en een essaybundel. Waar nestelen de creatieve ondernemers zich in de stad?

In de nieuwe Amsterdam Creative City Guide die volgende week wordt gepresenteerd op een feest in de Westergasfabriek doet samensteller Diane Krabbendam een grote belofte. Dit boekje, schrijft ze in de inleiding, helpt je bijzondere markten, restaurants en uitzichten te vinden, en zelfs een goede plek om uit te huilen. Zelfs de Amsterdammer die de stad goed meent te kennen, komt allerlei nieuws tegen in deze gids op zakformaat en in de publicatie waar die bij hoort, de eerste editie van het nieuwe jaarboek Amsterdam Index: a Shortcut to Creative Amsterdam.

De Index is een lekker dik, zwaar, glanzend ding, uitbundig vormgegeven, volgestouwd met interviews, verhalen, portretten en uiteraard heel veel beelden. Onduidelijk is waarom er zo veel aandacht aan de Zuidas wordt besteed, waar de wens van de creatieve stad vooralsnog de vader van de gedachte is – of het moet zijn dat een van de sponsors ING is, een van de ontwikkelaars van dit nieuwe stadsdeel. Opvallend aan de publicatie, en tekenend voor de manier waarop cultuur en commercie in de creatieve economie in elkaar overvloeien, is dat de advertenties zo veel op de `redactionele' pagina's lijken. Behalve dan de geestige reclame voor Qua brand environment design. Met een foto van een uitpuilende vuilnisbak en waarschuwingen aan de bezoeker aan the most inspiring design city of the world om niet te wachten op stoplichten (dan word je maar door een tram of een fiets overreden), niet te verwachten dat de ober vriendelijk is en niet naar de gebouwen te kijken maar op de hondenpoep te letten.

Deze week is over dit onderwerp ook een heel ander boek verschenen, Creativiteit en de stad. Daarin ondernemen critici, onderzoekers en wetenschappers een serieuze poging om grip te krijgen op `Hoe de creatieve economie de stad verandert', zoals de ondertitel luidt.

Een van de interessantste bijdragen is die van kunstcriticus Domeniek Ruyters. Hij constateert dat de kunstenaar wel de creativiteit levert, maar doorgaans het eerste slachtoffer is van het succes van de creatieve stad en de daaruit volgende stijging van de woonlasten en het levensonderhoud. ,,Ik geloof graag dat kunst goed is voor het welzijn van een stad, [...] maar het is de vraag of de creatieve stad wel goed is voor de kunst.'' Ook John Thackara, voormalig directeur van het inmiddels ter ziele gegane Vormgevingsinstituut, is kritisch. Hij vreest dat de creatieve klasse vooral de spektakelmaatschappij bevordert, en dat participatie het zal afleggen tegen consumptie. ,,Net zoals het toerisme de bezienswaardigheiden om zeep helpt, zo creëert de maatschappij van het spektakel cultureel steriele `kloonsteden'.''

In het slothoofdstuk maakt journalist Olof Koekebakker een tour d'horizon langs een aantal concrete beleidsmaatregelen waarmee steden de creatieve economie kunnen bevorderen. Daarvoor zijn praktische zaken nodig als (betaalbare) bedrijfsruimte en financiële ondersteuning. Hij haalt Londen als voorbeeld aan, waar het stadsbestuur liefst 50 miljoen pond heeft gestopt in een creative seedfund. Misschien het belangrijkste – en het moeilijkste – is dat overheden ophouden om in sectoren, hierarchieën en procedures te denken.

Een onderzoek dat de gemeente Amsterdam vorige maand op de jaarlijkse Ruimteconferentie van het Ruimtelijk Planbureau presenteerde, illustreerde de gebrekkige aansluiting van het sectorale denken op de creatieve werkelijkheid. De Dienst ruimtelijke ordening onderzocht waar de creatieve ondernemers – die met 30.000 arbeidsplaatsen 7 procent van de werkgelegenheid in de stad vertegenwoordigen – wonen en werken. Tot verbazing van de gemeente zelf bleek het oostelijk Havengebied, dat opgezet werd als een woongebied voor yups zonder kinderen, veel tweeverdieners met kinderen te trekken – en veel beginnende creatieve ondernemers die aan huis begonnen. Zij blijken een voorkeur te hebben voor gemengde woon-werkomgevingen die per fiets bereikbaar zijn, zoals het voormalige havengebied, maar ook bedrijfsterreinen waar ruimte relatief goedkoop is. In Amsterdam vestigt 58 procent van hen zich in woningen, 15 procent in kantoren, 20 procent in het grijze segment (ruimtes die niet in de rubricering passen) en 7 procent op bedrijfsterreinen. Aukje Teppema van de Dienst ruimtelijke ordening die het onderzoek presenteerde, gaf ruiterlijk toe dat de gebruikelijke categorieën die de gemeente hanteert, aan revisie toe zijn: de creatieve economie trekt zich niets aan van het papieren onderscheid tussen woning, kantoor en bedrijfsterrein.

Het was even zoeken in de stadsgids bij de Index, maar ik heb het huilhoekje gevonden: onder de spoorbruggen naast Centraal Station. Terwijl de treinen boven je hoofd langs denderen kun je er ongestoord met lange uithalen janken, en ondertussen getroost worden door de fraaie schaduwwaaiers die de zon op het plaveisel werpt. Weet ik dat voor de volgende keer. De stad is weer een geheim ontfutseld.

Amsterdam Index 2006: A Shortcut to Creative Amsterdam + stadsgids, uitg. BIS, €24, 128 blz., isbn 90-6369-112-2. Creativiteit en de stad: Hoe de creatieve economie de stad verandert, red. Simon Franke en Evert Verhagen, Reflect #5, NAi Uitgevers, €24,50, 240 blz., isbn 90-5662-460-1.