Kaderopleiding voor christenstrijders

De Vrije Universiteit in Amsterdam heeft lang geworsteld met God, gereformeerden en de overheid. Het roer ging het radicaalst om met de bezuinigingsoperaties van de jaren zeventig en tachtig.

De Vrije Universiteit (VU) in Amsterdam kwam in het begin van dit jaar in het nieuws, toen enkele eerstejaars studenten biomedische wetenschappen weigerden serieus in te gaan op de evolutieleer, omdat zij deze in strijd achtten met hun geloof. Hun actie veroorzaakte veel ophef en leidde ook in deze krant tot veel reacties.

Misschien zouden deze studenten een halve eeuw geleden een williger oor hebben gevonden. Op instigatie van de VU werd in 1950 een congres georganiseerd over de ouderdom van de aarde. De universiteit wilde leerstoelen voor biologie en geologie inrichten, maar niet dan nadat was onderzocht of er in gereformeerde kring voldoende ruimte bestond om hiermee samenhangende controversiële vraagstukken te bespreken. Ook toen ging het over de waarde van het scheppingsverhaal en over evolutie. De hoogleraar in de biologie die daarna werd benoemd, Lever, zocht het in een combinatie van beide. Hij verwierp het evolutionisme als materialistisch en dus in strijd met het christelijk geloof, maar bestreed niet dat er evolutie plaatsvond door soortverandering. Aan de schepping van de mens viel volgens Lever echter niet te tornen.

Het is maar een voorbeeld van de langdurige worsteling van de VU met haar opdracht en van de manier waarop rekening werd gehouden met de gereformeerde achterban. Zijn instemming was vitaal, omdat de universiteit lange tijd vrijwel geheel werd betaald van door gereformeerden gespaarde dubbeltjes en kwartjes, grotere schenkingen en nalatenschappen en bijdragen van de Vereeniging voor Hooger Onderwijs op Gereformeerden Grondslag. Deze vereniging stichtte in 1880 de Vrije Universiteit. Haar bestuur (de `directeuren') benoemde de hoogleraren en curatoren en benoemt tegenwoordig nog de leden van de raad van toezicht.

De verhouding tussen wetenschap en geloof vormt het hoofdthema in het boek dat is verschenen ter gelegenheid van het 125-jarig bestaan van de VU. De auteur, A.Th. van Deursen, heeft zich daarin niet beperkt tot een samenvatting van eerder verschenen gedenkboeken. Van Deursen zou zichzelf niet zijn als hij niet had teruggegrepen op de bronnen. Uit verslagen van vergaderingen, brieven, levensberichten, herinneringen en tijdschriften voert hij zijn hoofdpersonen sprekend op en brengt ze voor de lezer tot leven, van oprichter Abraham Kuyper tot de huidige rector magnificus T. Sminia.

Van Deursen, emeritus hoogleraar in de nieuwe geschiedenis, is een groot kenner van de Gouden Eeuw, van haar staatkunde zowel als van het protestantisme in het dagelijks leven. Hij kent bovendien het gereformeerde geloof én de VU van binnen. Hij heeft een boek willen schrijven over de pretentie van die universiteit iets te brengen waarin zij zich onderscheidde van de andere universiteiten en dus werkelijk bijzonder was: het ontwikkelen van een christelijke wetenschap en het opleiden van een kader van christenstrijders. Hij behandelt daarom de wetenschappen slechts voor zover daarin iets valt te bespeuren van een christelijke invulling. Voor een gedetailleerde behandeling van de faculteiten verwijst hij naar enkele andere bij dit jubileum verschenen boeken. Des te meer aandacht besteedt hij aan de studenten, omdat hij aan hen wil afmeten of de universiteit slaagde in haar gereformeerde vorming.

Spraakverwarring

Helemaal vrij van staat en kerk, wat de VU in haar naam wilde uitdrukken, is zij nooit geweest. A.F. de Savornin Loman, die in de hervormde kerk was gebleven nadat Kuyper en zijn aanhangers waren uitgetreden, moest in 1896 als hoogleraar vertrekken, omdat hij het politiek met Kuyper oneens was. Ook het gebrek aan voor het hoogleraarschap gekwalificeerde gereformeerden vormde lang een groot probleem. Dat deed zich vooral na 1905 voelen. In dat jaar sleepte Kuyper als minister-president met veel moeite (hij moest er zelfs de Eerste Kamer voor ontbinden!) een wet door het parlement die de VU in ruil voor erkenning de verplichting oplegde per faculteit ten minste drie hoogleraren te benoemen en uiteindelijk te groeien naar vijf volwaardige faculteiten. Dat noopte tot langdurige speurtochten naar geschikte kandidaten en tot benoeming van hoogleraren die hun geloof in hun wetenschapsbeoefening niet lieten meespelen. Een van hen was de jonge taalkundige Pos, tegen wie een klacht werd ingediend omdat hij weigerde als promotor op te treden bij een onderzoek naar het ontstaan van de talen met als uitgangspunt de Babylonische spraakverwarring. Tot een zaak kwam het niet, want Pos aanvaardde in 1932 een leerstoel aan de Universiteit van Amsterdam.

Afgezien van dit en enkele andere incidenten beschouwt Van Deursen de jaren dertig als de periode waarin de VU haar opdracht het best waarmaakte. In de manier waarop Waterink de pedagogie en psychologie beoefende, liet hij zich leiden door gereformeerde beginselen. Juristen, neerlandici en historici plaatsten zich met hun werk in de calvinistische traditie. En Dooyeweerd en Vollenhoven ontwikkelden met hun wijsbegeerte der wetsidee een echt christelijke filosofie. Jammer was natuurlijk wel dat die zo moeilijk te doorgronden was, zelfs voor hun ambtgenoten. Dat brak de leden van de achterban op, want die wilden begrijpen wat de professoren deden en uitdachten. Van Deursen geeft daar roerende voorbeelden van. Zo haalt hij een schoolmeester aan die in een briefje aan Dooyeweerd de professoren opwekte begrijpelijker over filosofie te schrijven, maar eindigde met een nederig `of kan dat niet?'

Het waren de jaren waarin hoogleraren en afgestudeerden van de VU leidende posities innamen in de kerk, de politiek en de organisaties van de protestantse zuil. Het was ook de tijd dat de band tussen hoogleraren en studenten zo hecht was dat de universitaire gemeenschap de bezettingsjaren beginselvast doorstond en zelfs de kerkscheuring van 1944 haar nauwelijks raakte.

Het boek van Van Deursen kent een duidelijke cesuur. Hij legt die in 1968, het jaar waarin de rijksoverheid de bekostiging van de VU geheel overnam en deze financieel onafhankelijk werd van haar achterban. Daaraan voorafgaand heeft hij al beschreven hoe in de jaren zestig het gereformeerde geloof veranderde en de animo verminderde `samen christenstrijders te zijn voor het grote ideaal'. In de volgende jaren werd de grondslag ingewisseld voor een doelstelling waaruit geleidelijk aan zelfs elke verwijzing naar de gereformeerde beginselen verdween. Christelijke gezindheid is allang geen voorwaarde meer voor benoeming.

Bezuinigingsdrang

Van Deursen ziet voor het verlies van het bijzondere karakter van zijn universiteit twee schuldigen. De grootste boosdoener is in zijn ogen het ministerie van Onderwijs. Dat paarde een niet aflatende bezuinigingsdrang aan steeds hogere eisen aan de kwaliteit van onderwijs en onderzoek. De willekeur waarmee tijdens beruchte bezuinigingsoperaties als `taakverdeling en concentratie' en `selectieve krimp en groei' tussen de universiteiten met studierichtingen werd gekwartet, had tot gevolg dat de VU studies verloor die voor het behoud van haar christelijke signatuur van wezenlijke betekenis waren, terwijl zij andere behield of kreeg die daar niets toe bijdroegen. Ook stelde het ministerie bij populaire studierichtingen elders een numerus fixus in, waardoor de VU een overloop aan studenten kreeg die helemaal niet voor haar hadden gekozen.

Die studenten of liever, hun communistische aanvoerders, ziet Van Deursen als tweede kwade kracht. Door hun toedoen en vooral hun compromisloosheid werden de jaren zeventig een voor de universiteit onproductief tijdperk. Hij besteedt ruim aandacht aan hun optreden, en het gemak waarmee tot bezettingen werd overgegaan vervult de lezer met plaatsvervangende schaamte.

Toch overtuigen de paragrafen over studenten en studentenleven in de laatste hoofdstukken minder dan die over vroegere periodes. Toen zochten de studenten ook de grenzen op van wat was toegestaan, maar dat speelde zich af binnen een homogene gereformeerde cultuur. Vanaf de jaren zestig was die cultuur diffuser en daardoor misschien moeilijker te onderzoeken. Maar waren alle studenten wel even `links'? En in alle faculteiten in dezelfde mate?

Uit cijfers die Van Deursen voor 1974 geeft, blijkt dat de Politieke Partij Radicalen onder studenten van de VU verreweg het populairst was. Die partij was gevormd door een groep radicale christenen. Helemaal los van hun achtergrond waren de studenten toen dus nog niet. En pas in 1993 gaf de – waarschijnlijk – laatste docent de gewoonte op het ochtendcollege te beginnen met bijbellezing en een gebed, omdat de studenten er gewoon doorheen praatten; vermoedelijk geen communisten.

Van Deursen heeft zich met veel inleving in de gereformeerde zaak van zijn taak gekweten. Daarbij maakt hij het de lezer niet altijd even makkelijk, bijvoorbeeld wanneer hij het verschil tussen gereformeerden (de bijbel is Gods Woord) en ethischen (Gods Woord is de bijbel) benoemt. Na de cesuur verdwijnt echter de achterban uit beeld en wordt de toon van de auteur kritischer, scherper en persoonlijker, maar nooit afstandelijk.

A.Th. van Deursen: Een hoeksteen in het verzuild bestel. De Vrije Universiteit 1880-2005. Bert Bakker, 501 blz. €29,95