Is er hoop voor het gespuis

Hoe moet het verder met de rebellerende jeugd in de Franse voorsteden? Volgens de omstreden moslimdenker Tariq Ramadan hoeven religie en integratie elkaar niet te bijten.

Als iemand de uitbarstingen van geweld in de Franse voorsteden heeft zien aankomen is het de controversiële Zwitsers-Egyptische moslimdenker Tariq Ramadan. Jarenlang bezocht Ramadan de moslimjongeren in de banlieues om hen op te roepen tot een religieus reveil en maatschappelijke emancipatie. Zijn missies wekten wantrouwen bij seculiere intellectuelen en politici, die hem ervan beschuldigden met twee tongen te spreken: terwijl hij voor het Franse publiek saamhorigheid en coëxistentie predikte, zou hij in zijn (Arabische) toespraken de jeugd oproepen tot sectarische strijd en de jihad. Hij zou zelfs banden onderhouden met gewelddadige islamitische groeperingen. Ramadan heeft de beschuldigingen altijd ontkend en er zijn nooit overtuigende bewijzen voor aangevoerd.

Een van de voormannen van de aanval op Ramadan was minister Sarkozy, die nu het mikpunt vormt van de kritiek van de opstandige jeugd vanwege zijn opmerking over `gespuis'. In een fameus televisiedebat in 2003 probeerde Sarkozy Ramadan als een verwerpelijke moslim-extremist af te schilderen en als een vijand van de laicité, het typisch Franse model om religie uit het openbare domein te weren. Toen hij Ramadan verweet dat hij zich tegen de laicité keerde met zijn oncoöperatieve houding in het debat over hoofddoekjes, merkte Ramadan op dat de laicité niet bedreigd werd door dit soort symbolen, maar door de erbarmelijke situatie van de moslimjeugd in de banlieues. Hij riep Sarkozy op zich in de voorsteden niet te beperken tot veiligheidsmaatregelen, maar ook een sociaal beleid te ontwikkelen dat een structurele verbetering zou bewerkstelligen. Nu bij de recente geweldsuitbarstingen het aftreden van Sarkozy wordt geëist en de Franse regering sociale maatregelen alsnog heeft aangekondigd, lijkt Ramadan zijn gelijk te halen.

In zijn boek Westerse moslims en de toekomst van de islam geeft Ramadan een samenvatting van zijn voornaamste denkbeelden, die vooral steunen op het ontwaken van een nieuw religieus en ethisch besef, een pleidooi voor het ontwikkelen van een Europese islam, en een oproep aan moslims in Europa om uit hun getto te treden en zich sociaal en politiek actief op te stellen. Moslims moeten de positieve elementen van de Europese samenleving omarmen: `Hun algemene beginselen leren hen dat zij overal waar wetten hun integriteit, hun vrijheid van denken en eredienst garanderen thuis zijn, dat zij de verworvenheden van die samenleving als de hunne mogen beschouwen en dat zij zich moeten inzetten om met hun medeburgers te werken aan welvaart en geluk.'

Moslims moeten volgens Ramadan geen obsessie met `identiteit' ontwikkelen, maar zich openstellen voor de waarden van hun samenleving: `Het gaat erom een echte dialoog aan te gaan, op gelijk niveau, met al onze medeburgers, met respect voor precies dezelfde universaliteit van onze respectieve waarden, met de wil elkaar te verrijken en op den duur echte partners te worden in het engagement.'

Het uitgangspunt van Ramadans denken is het concept van de tauhied, de erkenning van de absolute eenheid van God, zoals die kenbaar is gemaakt in de bronnen van de islamitische spiritualiteit, de koran en de soenna en de leefwijze en uitspraken van de profeet. Geloof berust op een intuïtief besef van het goddelijke, dat zich in de openbaring en de schepping manifesteert en dat de mens ter verantwoording roept. De erkenning van het goddelijke en de leefwijze van de gelovigen zijn vastgelegd in de sjahada, de geloofsbelijdenis, en de sjaria, de wet die is afgeleid uit de religieuze bronnen en die de mens in staat stelt als moslim te leven.

Hierin onderscheidt Ramadan zich niet van de traditionele denkwijze in de islam, maar om tot een nieuwe, moderne vorm van religiositeit en ethisch besef te komen, zijn er volgens Ramadan wel degelijk ingrijpende hervormingen binnen het islamitische denken nodig. Allereerst moet worden onderkend dat de koran in een historische context is ontstaan. De theologische interpretaties en de extrapolatie van juridische regels die in de eeuwen na Mohammed de kern van de islam zijn gaan uitmaken, berusten op menselijke intellectuele inspanning, die gekleurd is door de historische omstandigheden. Ook nu kunnen moslims dus de traditionele methoden van interpretatie aanwenden om de voorschriften van de sjaria aan de moderne tijd aan te passen. Dat doet geen afbreuk aan het universele karakter van de islam, aangezien de bronnen en de spirituele basis van het geloof onaangetast blijven, terwijl de praktijk van het geloof aan moderne opvattingen wordt getoetst. Het is juist het dynamische karakter van het geloof waaraan de islam zijn aanspraak op universaliteit ontleent.

Met deze historisering van de ontwikkeling van de islamitische wet en de flexibele opvatting over het interpreteren van de openbaring, zet Ramadan zich af tegen de stromingen in de islam die de vorming van een uniforme, monolitische islam voorstaan, die gebaseerd is op letterlijke navolging van de bronteksten en die wars zijn van elke rationele interpretatie. Hoewel Ramadan geen definitieve breuk wil met de juridische traditie in de islam en wil putten uit de methoden die in die traditie zijn ontwikkeld, meent hij dat elke tijd zijn eigen regels moet formuleren.

Door de eeuwen heen heeft de islam zich steeds aan historische en culturele omstandigheden aangepast, zonder zijn spirituele kern te verliezen. Daarom kunnen ook Europese moslims met een gerust hart hun eigen vorm van het geloof ontwikkelen, zolang de fundamenten in stand blijven. Moslims moeten op een volwaardige manier aan hun samenleving deelnemen en zijn verplicht zich aan de wetten van die samenleving te houden, ook al zijn die niet islamitisch. Alleen zo kunnen ze van binnenuit werken aan de hervorming van de samenleving in de geest van de islam. Daarbij denkt hij niet aan een `islamisering' van de samenleving, maar aan het zoeken naar waarden die ook bij niet-moslims kunnen worden gevonden, zoals sociaal besef en collectieve verantwoordelijkheid.

Ramadans oproep is tegelijkertijd een oproep tot maatschappelijke participatie en activisme. Het is de plicht van elke moslim zich in te spannen voor een betere maatschappij en dat is zeker in het westen van groot belang. Het westerse kapitalisme heeft volgens Ramadan alle morele begrenzingen uit het oog verloren en dat leidt tot onrecht, uitbuiting en hebzucht. Het proces van globalisering heeft alle waarden ondergeschikt gemaakt aan de economie en en verschilt alleen in vorm en omvang van de vroegere koloniale overheersing.

Het is juist de islam, met zijn rijke spirituele en ethische traditie, die een tegenwicht kan bieden. Volgens de islam is de mens Gods stadhouder op aarde, met de plicht de schepping zo goed mogelijk te beheren. Alle economische en sociale handelingen hebben een morele component, die grenzen stelt aan groei, speculatie, uitbuiting, hebzucht en de exploitatie van hulpbronnen. In deze morele impuls ziet Ramadan de voornaamste bijdrage van de islam aan de westerse samenleving en tegelijkertijd een doel dat de islam verbindt met andere critici van het kapitalisme, zoals de christelijke bevrijdingstheologen en de beweging van anders-globalisten.

Ramadans verdienste is vooral dat hij een moderne synthese van bestaande hervormingsideeën geeft en tegelijkertijd de Europese moslims oproept hun `minderheidscomplex' van zich af te schudden en als volwaardig Europees burger én moslim aan de samenleving deel te nemen. Het is duidelijk dat deze emancipatorische component en het charisma waarmee Ramadan zijn ideeën presenteert een bevrijdende uitwerking hebben op moslims die hun plaats in de maatschappij zoeken en die willen integreren zonder hun geloof te hoeven afzweren. Door niet-moslims niet langer als `de ander' te kwalificeren, probeert hij te voorkomen dat moslims zelf als `de ander' in de Europese samenleving worden gezien. Hij probeert moslimjongeren duidelijk te maken dat zij hun achterstandspositie moeten scheiden van hun moslim-identiteit en moeten strijden voor sociaal-economische emancipatie zonder zichzelf in een religieus getto op te sluiten.

Vooral in Frankrijk ziet men de groeiende populariteit van Ramadan als een bedreiging voor het gekoesterde secularistische model. Ramadan heeft altijd ontkend dat het uitgangspunt van laicité onverenigbaar is met de islam, maar hij verzet zich tegen de manier waarop het begrip laicité wordt misbruikt voor aanvallen op religie in het algemeen en op de islam in het bijzonder. Door laicité te verwarren met anti-religieuze ideologie wordt het stelsel een alibi voor racisme en islamofobie.

Vooralsnog lijkt de angst dat de banlieues in de greep zijn van religieus extremisme niet gerechtvaardigd, want de recente onlusten lijken vooral te gaan om een protest tegen sociaal-economische achterstelling en discriminatie, en lijken niet te zijn geïnspireerd door religieuze of anti-Franse gevoelens. De moskeeën en moslimorganisaties in Frankrijk hebben gedaan wat er van ze verwacht werd en de opstandige jeugd tot de orde geroepen. Tariq Ramadan heeft zich niet opgeworpen als de leider van een nieuwe, islamitische Franse revolutie.

Met zijn ethisch appèl wijst Ramadan weliswaar op een gevoelige plek in de Europese samenleving, maar zijn denkbeelden blijven vaak steken in vaagheid en een enigszins naïef idealisme. Zijn economische theorieën zijn misschien niet onsympathiek, maar het is niet erg geloofwaardig dat een heropleving van de islamitische ethiek voldoende zal zijn om het kapitalisme diepgaand te beïnvloeden, zelfs als er een coalitie met andere religieuze en niet-religieuze stromingen zou ontstaan.

Belangrijker is nog dat Ramadan te vaag blijft over de rol van de sjaria en de wetsgeleerden, de oelama. Hij pleit ervoor de toepassing van de sjaria als praktijk en doelstelling op te schorten totdat er een radicale discussie is gevoerd over de aanpassing en modernisering van de voorschriften. Betekent dat dat Ramadan toch een uniform juridisch stelsel aan moslims verspreid over de wereld wil opleggen, ten koste van plaatselijke diversiteit? Hoe zou zo'n college van wetsgeleerden moeten worden samengesteld en waaraan zou het zijn gezag moeten ontlenen? Een van de grote problemen is juist dat de traditionele, gedifferentieerde infrastructuren voor het theologische en juridische denken in de islam grotendeels zijn ontmanteld door de seculiere moderniteit. Het is de vraag of daarvoor een mondiale, geïnstitutionaliseerde structuur, vergelijkbaar met een gecentraliseerde kerk, in de plaats zou moeten en kunnen komen. Zolang Ramadan voor dit soort problemen geen concrete oplossingen aanvoert, zal hij het toch meer van zijn charisma dan van de diepgang en uitvoerbaarheid van zijn ideeën moeten hebben.

Tariq Ramadan: Westerse moslims en de toekomst van de islam. Bulaaq, 331 blz. €24,50