Ik is het lijden

DELFT. In de auto werd de situatie gespannen. De man naast de chauffeur was aan het telefoneren met zijn collega's die al bij het Techniekmuseum in Delft waren aangekomen en ik hoorde hem zeggen: ,,De contactpersoon is mevrouw Verhoeff. Ga op zoek naar mevrouw Verhoeff.''

We stonden iets voorbij Schiphol in de file en ik wist dat mevrouw Verhoeff niet zou komen, maar ik vond het te vroeg de heren daarvan op de hoogte te brengen.

Ik keek naar de andere mensen in de file, een man in de auto naast de onze, die gretig in een krentenbol hapte. Vervolgens ging het gesprek over wapens. Of misschien verbeeldde ik me dat. De laatste keer dat ik een wapen vasthield was ook alweer tien jaar geleden.

Ik had bij een bedrijf genaamd The Security Company zes bodyguards ingehuurd om mij te beveiligen tijdens de presentatie van het boekje De techniek van het Lijden.

Met drie van hen zat ik nu in de auto. Ze hadden hun oortjes al in.

Helemaal zelf had ik de bodyguards niet geregeld, moet ik toegeven, dat had mevrouw Verhoeff gedaan, die sinds maart 2005 mijn agenda beheert. Sommige mensen denken dat ze niet bestaat, maar ik heb haar een paar keer mogen ontmoeten.

Ze weet alles van me, waar ik ben, vaak ook met wie ik er ben, maar ze onthoudt zich van een oordeel. Als ze al een oordeel heeft, heb ik daar nog nooit iets van gemerkt. Van haar weet ik weinig, zeg maar niets. Dat ze op een woonboot woont. Daar houdt het zo ongeveer mee op.

Toen ik haar berichtte dat ik op vrijdag 28 oktober zes bodyguards nodig had, mailde ze terug dat ze dat ging regelen. Al ons contact verloopt via sms of mail. Op evenementen verschijnt ze zelden tot nooit, alsof ze intuïtief aanvoelt dat iemand die je leven van minuut tot minut organiseert, gebaat is bij een zekere onzichtbaarheid.

Wel ontvang ik soms een sms met de tekst: ,,Denk eraan vanavond begint de wintertijd.''

Of: ,,Tafel gereserveerd in Bistro Amstel voor twee personen om 20:00 uur onder eigen naam.''

De organisator van mijn leven wil graag dat ik op tijd kom. Als een suppoost die een acteur met faalangst het podium opduwt.

We naderden Leiden en de man naast de chauffeur legde zijn telefoon neer en zei: ,,Nog steeds geen spoor van mevrouw Verhoeff.''

Ooit had een vrouw op berispende toon door de telefoon tegen mij gezegd: ,,Dit is het echte leven, Arnon.''

Toen wist ik dat het nooit meer wat tussen ons zou worden, want ik heb geen talent voor het echte leven. Beter gezegd, ik mis het vertrouwen dat er zoiets bestaat als het echte leven.

Wat zou dat zijn? Ja, het regime in Noord-Korea is echter dan een gedicht van Zagajewski. Sterven in een kamp is echter dan mevrouw Verhoeff laten weten dat er zes bodyguards nodig zijn op vrijdag 28 oktober. De geschiedenis van mijn ouders is echter dan de mijne. Mijn geschiedenis is niet meer dan een voetnoot bij hun geschiedenis en juist daarom kan ik me de vrijheid permitteren te leven alsof er geen echt leven bestaat. Als je het welwillend bekeek kon je zeggen dat ik een epiloog ben vermomd als voetnoot. Met mij houdt het op. Met mij moet het ophouden.

Ik kuchte en toen zei ik: ,,Mevrouw Verhoeff is een beetje ziek.''

,,Maar wie is dan onze contactpersoon?'' vroeg de man voor mij.

Het was behoorlijk onaangenaam te moeten zeggen dat je zelf je eigen contactpersoon bent.

Ik verdiepte mij in een krant.

Met enige vertraging arriveerden we bij het Techniekmuseum in Delft.

De andere drie bodyguards stonden al ongeduldig op ons te wachten. Achteraf gezien was zes misschien een beetje veel, maar ik houd niet van dat bescheiden gedoe.

We gingen naar boven, de bodyguards volgden op gepaste afstand.

De opkomst viel tegen, of mee, dat is maar hoe je het bekijkt.

Vanwege de file moest er meteen met de plechtigheden worden begonnen. De rector magnificus zou iets zeggen, vervolgens ik.

Livia Verstegen van de stichting die het gastschrijverschap aan de TU in Delft organiseert, kwam op mij af en vroeg: ,,Waar komen al die beveiligingsmensen vandaan? Ik vind het ontzettend geestig.''

Ik keek naar de bodyguards. Ze waren allemaal in pak. Zo had ik ze ook besteld. Ik wil geen bodyguards in spijkerbroek.

Was dit geestig? Was dit een grap? Iets wat een kleine tweeduizend euro kostte, was wat mij betreft geen grap meer. Noem mij kleinburgerlijk maar boven de duizend euro houdt de grap voor mij op. Daaronder wil ik alles een grap noemen. Daarboven niet meer.

Na de korte toespraak van de rector wandelde ik naar het spreekgestoelte. Achter mij stond een vriendelijke bodyguard.

Nog even dacht ik aan het echte leven en een regel uit een gedicht van Zagajewski: `Ik hoorde hotelgasten Happy birthday to you zingen.'

Toen begon ik te spreken. Ik zei: ,,U moet weten dat ik vanaf het moment dat ik gastschrijver werd aan de TU in Delft dreigbrieven begon te ontvangen. Die begonnen eerst nog netjes met `jouw boeken zijn een schande'. Maar gingen al snel naar, ik citeer, `wie het leven verraadt verdient het niet om te leven'. En in een laatste brief heette het: `Ik geef je nog vier maanden, klootzak, en als er dan geen verbetering in zit krijg je de kogel, net als die andere klootzakken die het leven niet verdienen.' Inmiddels is bekend geworden wie mij deze brieven heeft gestuurd. Ik wil deze informatie op deze bijzondere dag met u delen. Het kan niet langer ontkend worden, ik ben het zelf geweest. En aangezien ik niet voor mij kan noch wens in te staan, aangezien ik begrijp dat ik mijzelf niet kan vertrouwen, en ik de gruwelijke dreigementen wellicht waar zal maken, heb ik deze heren ingehuurd om mij te beschermen. Beter kan ik de techniek van het lijden niet verklaren. Ik, het subject zeg maar, is het lijden. Deze heren zijn de techniek ervan.''

De borrel duurde tot half zeven en hoewel ik de heren had ingehuurd tot acht uur heb ik ze om half zeven naar huis gestuurd. Aangezien ik niet zo bekend ben met de wereld van de beveiliging wist ik niet of je bodyguards net als kappers een fooi geeft. Ik moet bekennen dat ik ze zonder fooi heb laten gaan, maar ik geloof dat ze het allemaal goed hebben opgenomen en dat ze zich ook over de afwezigheid van mevrouw Verhoeff hebben heengezet. Een van de beveiligers zei bij het afscheid tegen me: ,,Als je ons ooit nog nodig hebt, doe gerust een beroep op ons.''

Ik beloofde dat te zullen doen. Je weet nooit wanneer het je weer overvalt. De behoefte dreigbrieven aan jezelf te schrijven. Ik heb ze overigens met mijn eigen naam ondertekend. Zo ben ik ook weer. Het gaat wel om de waarheid.

Mijn studenten hadden voor mij gekookt in een kraakpand of een antikraakpand, ik haal die twee nooit zo uit elkaar.

Er was aangename muziek en alleszins redelijke pasta.

Een mij onbekende student die in het antikraakpkand bleek te wonen, kwam naar me toe en zei: ,,Ik dacht dat je een arrogante klootzak was maar in het echt val je mee.''

Ik hoor dat vaker, dat ik in het echt meeval. Vroeger geloofde ik dat nooit. Leugens, dacht ik. De ellendelingen hebben er niets van begrepen.

Nu heb ik me erbij neergelegd.

Men heeft mij verteld dat na mijn vertrek in het antikraakpand nog flink is gedanst.

Ik zat op mijn hotelkamer in Amsterdam en pakte mijn koffer, want de volgende ochtend moest ik vroeg op Schiphol zijn.

In ieder geval heb ik de titel van mijn allerlaatste boek: De man die men voor Arnon Grunberg hield.