Het beste verhaal overleeft

Niemand weerstaat een goede eerste zin. Die trekt je een roman binnen, zoals een onbekende je een huis binnensleept. Pas bij de punt schrik je weer op; alsof je, terwijl je ogen nog wennen aan het donker, de deur achter je in het slot hoort vallen. Wat dan te denken van het volgende: `In het jaar van de dubbele krakeling, van Moëbius' symmetrische tweespan en de gepaarde oneindigheid (want zo raasden zijn gedachten voort), rond het midden van de maand augustus, worstelde Einar, de hoofdpersoon van dit verhaal, zich naar de oppervlakte.'

Los van het vermogen van deze weinig aaibare binnenkomer om grote hoeveelheden lezers, met of zonder symmetrisch tweespan, meteen weer weg te jagen, lijkt de boodschap helder: hier is de vierde historische roman van Jan van Aken. Van Aken maakte eerder (en vooral met De valse dageraad uit 2001) naam als de Umberto Eco van de lage landen. Maar hoe historisch is historisch in dit geval? Het jaar van de dubbele krakeling is namelijk niet 1088 of 1588, maar onmiskenbaar 1988, zoals in de tweede zin blijkt uit de televisie waarop `een verre piraat een pornofilm vertoonde die nog net niet oploste in een storm van witte ruis'.

Daarmee is Het Fluwelen Labyrint nog geen breuk met het eerdere werk van Van Aken. Opnieuw speelt de verhouding tussen feit en waarneming, tussen verschillende verhalen een hoofdrol. Het verhaal in Het Fluwelen Labyrint wordt verteld door een drietal stamgasten van een Amsterdams café, op basis van de aantekeningen die de hoofdpersoon heeft gemaakt, aangevuld met hun eigen herinneringen. Dat geeft alle beweringen in het boek een zekere mate van onzekerheid: is wat we hier lezen een accurate weergave van de feiten of een rammelende reconstructie? Die twijfel wordt nog versterkt door de omgeving waarin Het Fluwelen Labyrint zich afspeelt: de Amsterdamse drugsscene. Geen omgeving waarin mensen dingen precies onthouden.

Bolletje bruin

Opmerkelijk daarbij is de manier waarop Van Aken het milieu schildert: zonder het welzijnswerkersperspectief waarin je bij elk lijntje een o-mijn-god-nu-gaat-het-toch-weer-mis-boodschap meekrijgt, maar ook zonder de dit-staat-eigenlijk-voor-iets-heel-erg-groots-en-mypthisch-extase die een auteur als Van der Heijden overvalt als hij over dezelfde periode schrijft. Bij Van Aken hebben de hoofdfiguren niet het idee dat ze iets bijzonders doen. Ze scoren een bolletje bruin zoals een ander een halfje bruin haalt bij de bakker. Althans, zo gaat het in het begin van de roman, waarin het decor nog alleszins van fluweel is. De twintiger Einar is een studentikoos-intellectualistische verschijning in de Brown Bar op de Wallen, die af en toe gebruikt, maar zijn leven verder in de hand heeft. Hij heeft een relatie met de nymfomane Uschi die voortduurt tot hij al haar boeken uit heeft, en wordt dan verliefd op de blonde danseres Isida. Om de liefde tussen die twee draait het boek.

Verslaving is in het begin van de roman geen issue. Dan is er alleen een terugkerend geweldig gevoel bij elk gebruik. Pas geleidelijk komt dat woord ter sprake met betrekking tot anderen en nog weer later valt ineens het woord `stoppen' in de gesprekken tussen Einar en Isida. Nog weer later verschijnt een politieagent ten tonele en gaat het woord `junk' vaker vallen. De lezer wordt zich even langzaam van de verslavingsproblemen bewust als Einar en Isida zelf: eerst blijken allerlei vrienden in je omgeving junks te zijn, dan ga je je afvragen wat je zelf bent. En dan komt voor de inmiddels ook naar hun eigen maatstaven verslaafde geliefden Einar en Isida de vraag wie er kan stoppen en wie niet. En of dat stoppen samen moet: `We leven permanent tussen halfzieke geilheid en zoete dromen. Ik heb er even geen zin meer in. Neem een tijdje afstand, verzin iets.'

Die passage maakt deel uit van de lange (en soms ook een beetje langdradige) tocht richting de uitgang van het labyrint van de titel: de hoofdpersoon zweeft tussen goede voornemens en slechte gewoonten, waarbij je soms geneigd bent om te denken dat je een gewone roman over drugsproblematiek aan het lezen bent. Waarbij je soms ook nog kleine foutjes opvallen, bijvoorbeeld als er wordt verwezen naar een voetbalwedstrijd uit de herfst van 1987, terwijl het toch 1988 was. En was de Stopera toen niet al jaren klaar? Allengs wordt duidelijk dat het jaar uit de beginzin meer dan als 88 gezien moet worden als die `dubbele oneindigheid': in het `Fluwelen Labyrint' staat de tijd stil.

Heroïneverslaafde

Dat is een logische stelling als het gaat om de geest van een heroïneverslaafde, maar het plaatst Het Fluwelen Labyrint vooral midden in het oeuvre van Van Aken, waarin de grenzen van tijd en ruimte altijd ter discussie staan. Zo ontdekte Damis, de held uit De dwaas van Palmyra (2003) dat er over hemzelf anekdotes werden verteld die hij niet had meegemaakt; zijn leven was veel méér dan de verhalen die hij zelf kende.

Deze Damis werd uiteindelijk een hoofdpersoon die er rekening mee moest houden dat hij zelf fictie was. Zijn opvolger Einar hoeft niet zozeer aan zichzelf te twijfelen, maar wel aan iedereen in zijn omgeving en dan vooral aan zijn geliefde Isida en de nymfomane junk Uschi. Zijn zij niet dezelfde persoon? Nomen est omen, staat ergens in het boek en de naam Uschi is ongetwijfeld ontleend aan het verkleedprogramma op tv waarin een vrijpostige Japanse interviewster keer op keer verandert in een blonde Bekende Nederlander. Isida is de ijsvogel uit het werk van Jacob van Maerlant (`dat ic voer waer niet bediede/ ende inne weet oft es gheloghen'), en een verwijzing naar de Franse aanduiding voor aids. Tegen het einde van het boek durft Einar nauwelijks nog te geloven wie wie is, wat Van Aken de gelegenheid geeft zijn boek een schitterende apotheose te geven waarbij je je ineens moet afvragen of de cleane Einar wel beter af is dan zijn ex-geliefde.

Al in zijn debuut Het oog van de Basiliek noteerde Van Aken de frase die steeds meer weg begint te krijgen van het motto van zijn hele oeuvre: `Het beste verhaal overleeft'. Daarbij gaat het om een combinatie van beheersing en vervoering, vrij precies zoals de hoofdpersoon jarenlang meende zich staande te kunnen houden met matig druggebruik. Zijn zoektocht naar een techniek om die twee blijvend te combineren in het `fluwelen labyrint' is uiteindelijk niets meer of minder dan een metafoor voor de literaire queeste van Jan van Aken. Daarbij geeft juist Einars verslingering aan de vervoering van de drugs aan dat als Van Aken schrijft dat het beste verhaal overleeft, we niet te maken hebben met een postmoderne routineriedel, maar met een innerlijke noodzaak. Einar moet zijn eigen verhaal weer leren beheersen om niet ten onder te gaan. Daar moet ook de motor van het schrijverschap van Van Aken ergens zitten, de kracht die maakt dat hij steeds weer een poging doet om de wetten van tijd en ruimte voor even te tarten, en de reden dat hij die momenten in zijn boeken ook steeds weer weet op te roepen.

Jan van Aken: Het Fluwelen Labyrint. Prometheus, 352 blz. €18,95