Drie komma een vier een

Hoor ik het woord hoogbegaafd, dan denk ik altijd aan een nieuwsbericht dat Hans Dorrestijn eens voorlas op de radio, jaren geleden, in zijn eigen radionieuwsdienst. De berichten werden geleverd door zijn eigen DPA: Dorrestijns Pers Agentschap. Die ene keer meldde hij, zoals altijd op serieuze nieuwslezerstoon, de problemen die waren ontstaan bij de pas opgerichte Vereniging van ouders van hoogbegaafde kinderen. Enkele dagen na de oprichtingsvergadering had men al tot een ledenstop moeten besluiten – omdat zich in het eerste weekeinde al meteen 1 miljoen ouders hadden aangemeld.

Het getuigt van een gezond gevoel voor humor om een bloemlezing te willen maken die volgens de ondertitel `poëzie voor hoogbegaafde kinderen' bevat. De titel is Uit de hoge hoed, samengesteld door Toef Jaeger, met een lekker opruiende inleiding van Ilja Leonard Pfeijffer: `Als je hoogbegaafd bent, of gewoon slimmer dan je ouders, dan kun je maar beter gedichten lezen. Daar zijn vijf redenen voor.' Krijgt de doelgroep van supertalentjes het niet onder ogen, dan vermoedelijk wel de veel grotere groep van mensen die menen de ouder van zo'n supertalent te zijn. De eerste druk raakt meteen in het eerste weekeinde na verschijnen uitverkocht.

Wat zijn gedichten voor hoogbegaafde kinderen? De inleiding en de rugtekst geven er geen duidelijke richtlijnen voor. De praktijk van de bloemlezing laat vooral zien dat er voor de hoogbegaafde lezertjes nauwelijks grenzen aan het genre van de poëzie worden gesteld. Al meteen in de eerste regel van het eerste gedicht zegt Marianne Moore dat zij er ook niet van houdt, van poëzie. Dus dat begint al goed. Maar Moore moet toegeven dat je er, bij al je minachting voor het genre, al lezend soms toch achter komt dat poëzie `een plaats voor het ware' (vertaling van `a place for the genuine') kan zijn. En waar eindigt het mee? In het slotgedicht vinden we een beschouwing van Hans Verhagen over de wortel uit 2: `De 6-puntige ster wordt een 5-puntige ster, / de kubus een 3-hoek, / de 3-hoek een punt in de cirkel.' Een knappe geleerde die er iets tegenin weet te brengen.

Tussen deze twee non-gedichten bevinden zich nog veel meer non-gedichten: nonsensverzen en prozanotities, kinderliedjes en filosofieën, fabels en losse berichten, figuur- en klankgedichten, lijstjes en hoogsensitieve fluisteringen,uit alle talen en tijden. Ze onttrekken zich allemaal aan het gangbare beeld van een gedicht. Ze willen volgens mij vooral duidelijk maken dat poëzie overal kan opduiken, op de meest onverwachte plekken en in de vreemdste formules – enigszins in de geest van het tijdschrift Barbarber.

`Het getal pi is bewonderenswaardig', zegt Wislawa Szymborska hier, in de eerste regel van een gedicht. En in de tweede: `drie komma een vier een.' Ook dat is een op het eerste gezicht weinig dichterlijke regel: `drie komma een vier een.' Het gaat over pi. Pi is het getal (hoogbegaafde kinderen weten dat al lang) waarmee de verhouding tussen de middellijn en de omtrek van een cirkel wordt vastgelegd. Ik druk me vermoedelijk onwiskundig uit als ik zeg dat de middellijn ruim drie keer in de omtrek past. Iedereen kan dat met het blote oog wel zo ongeveer aanvoelen. Drie keer, en nog een beetje. Maar hoe groot is dat beetje? Daar zijn in de loop der eeuwen heel wat uren rekenwerk in gestoken.

De Egyptenaren, de Grieken, de Chinezen en de Alexandrijnen wisten duizenden jaren geleden al wel dat het zoiets als 3,141 moest zijn (de tweede regel uit het vers van Szymborska), maar wat was het nu precies? In 1620 slaagde de Leidse wiskundige Ludolf van Ceulen er na vele jaren rekenen in het getal pi tot 35 cijfers achter de komma te benaderen. Hij liet ze alle 35 op zijn grafsteen in de Pieterskerk beitelen. Zo ging het door, in de eeuwen erna: steeds meer cijfers achter de komma werden bekend, met nieuwe rekenmethodes, nieuwe machines en nieuwe supercomputers. Men kwam er achter dat er in al die cijfers achter de komma vooralsnog geen enkel systeem zat, en dat er hoogstvermoedelijk ook nooit een einde aan zou komen. Wie wil, kan nu ergens opzoeken welke vijftig miljard cijfers (of meer) er volgen op de drie komma een vier een van pi. Wat nu?

Dit is wat Szymborska erover zegt: `Alle verdere cijfers zijn ook begincijfers, / vijf negen twee omdat het nooit eindigt.' Helemaal waar. Wat zijn, in het licht van de oneindigheid, vijftig miljard cijfers anders dan armzalige begincijfers? Het getal pi `laat zich zes vijf drie vijf niet vangen in één blik, / noch acht negen door enige berekening, / of zeven negen door enige verbeelding, / en zelfs drie twee drie acht niet door de lach of vergelijking / vier zes met wat ook maar / twee zes vier drie ter wereld.' Het cijfer laat zich met niets vergelijken, merkt Szymborska op, in een mengeling van teleurstelling en bewondering. Je zou nog wel, bij wijze van vergelijking, aan een slang kunnen denken, een lange slang cijfers. Maar zelfs `de grootste slang op aarde houdt na ruim tien meter op', terwijl deze pi-cijferpython maar doorgaat.

Toch zal dit wondergetal met iets vergeleken moeten worden, als we het er verder nog over willen hebben. Szymborska spreekt dan van een `rei van cijfers', als was het een stoet, een karavaan, een processie, een cortège. Mooi. Er komt vervoering in haar regels als ze vertelt hoe deze rei zich niet laat stuiten door de rand van het papier, maar verder gaat: `over de tafel, door de lucht, / over muur, blad, vogelnest, wolken, recht omhoog, / door 's hemels opgezwollen bodemloosheid.' Hier wordt de dorre cijfermaterie verlaten, hier klimt een lied omhoog, hier werkt zich wiekend verrukking opwaarts. En dan komen alsnog de vergelijkingen: `Ach, wat kort, als van een muis, is de staart van een komeet! / Wat nietig de straal van een ster die zich in elke ruimte kromt!' De grote kosmische verschijnselen verbleken bij de oneindige cijferrij van de eindeloze staartdeling van pi. Het immense heelal legt het af tegen het oneindige getal dat in elk minuscuul met de hand getekend cirkeltje verborgen zit.

Dan laat Szymborska ook maar de officiële cijferrij van pi los. Het getal is zo lang dat zich in de miljarden opeenvolgende cijferreeksen ook allerlei andere getallen laten aanwijzen. Daar duikt geen een vijf op, maar vijftien, en driehonderd negentien en mijn telefoonnummer en jouw maat overhemd en het aantal inwoners: de hele wereld past in pi. Je zou er, gecodeerd, poëzie in kunnen lezen (`zing o nachtegaal, zing toch en vlieg') en zakelijke mededelingen (`verzoeke de rust te bewaren') en de hele Heilige Schrift, tot en met de voorspelling uit Mattheüs 24:35 dat `hemel en aarde zullen vergaan.'

Maar pi zelf zal nooit kunnen vergaan, weet Szymborska. Pi heeft dan altijd toch nog weer `een niet onaardige vijf' in de aanbieding, of een acht, `niet de eerste de beste' en ook `zeker niet de minste zeven'. Het is een getal dat nooit opgeeft. De saaie (`bloedeloze') eeuwigheid heeft er misschien wel eens genoeg van om altijd maar weer door te gaan, maar dan is er altijd nog het getal pi dat haar weer aanspoort en blijft aansporen, steeds maar weer, `om maar voort te duren.'

Misschien is pi wel hoogbegaafd. Pi verbindt het allerkleinste met het allergrootste. Pi is oneindig en pi is overal. Het staat nergens, maar de gedachte dringt zich aan het eind van Szymborska's gedicht wel op: pi is religie. Het is vast geen toeval dat `Het getal pi' 33 regels telt.

Uit de hoge hoed. Poëzie voor hoogbegaafde kinderen. Samengesteld door Toef Jaeger. Met een inleiding van Ilja Leonard Pfeijffer. Contact, 192 blz. €17,90