Dollemansrit op een haatcarrousel

Onversneden haat en knetterend cynisme maken de onlangs vertaalde Italiaanse familieroman `De onderkoningen' tot een explosief brouwsel. Bij de 19de-eeuwer Federico De Roberto ontsnapt niemand aan de beulsblik van de auteur.

Het begin getuigt meteen van literair meesterschap: je opent het boek De onderkoningen (1894) als de poort van een monumentaal gebouw en ogenblikkelijk daarna lees je dat de poort van een palazzo wordt geopend. Je wordt omspoeld door stalknechten, koetsiers en bedienden, een gewemel van stemmen, een nieuwe stoet personages, slippendragers, adellijke lieden, kakelend, stamelend, jammerend, speculerend, becommentariërend. Vervolgens neemt de commotie nog meer toe als notabelen, prelaten, kaarsenmakers, aspirant-componisten en andere aasgieren toestromen. Het stadspaleis van de Uzeda's, de Siciliaanse onderkoningen, is een crisiscentrum geworden, waar ondanks de chaos alles en iedereen om één persoon wervelt, de enige die er niet is: donna Teresa Uzeda, prinses van Francalanza, wie het heeft behaagd het tijdelijke voor het eeuwige te verwisselen.

In de warreling van uitroepen, gissingen en duidingen kristalliseert zich geleidelijk aan het beeld van een hardvochtige harpij, een Lady Macbeth die de belangen en bezittingen van de familie met ijzeren hand heeft gemenageerd en jarenlang haar zeven kinderen als marionetten naar haar pijpen heeft laten dansen. Zelfs haar laatste adem is een kille en verwoestende windvlaag die een siddering teweegbrengt in het negentiende-eeuwse Catanië en, bovenal, in de uitgehongerde harten van de Uzeda's. Tussen alle rituelen en plichtplegingen die de recente dood van de prinses met zich meebrengt, woekert reeds de wrok, maar ook de angst. Er is immers nog een testament.

Nadat de prinses met een rozenkrans, een ivoren crucifix en een dakpan (`ten teken van buitengewone boetvaardigheid') onder haar hoofd in de doodkist is opgeborgen, wordt de laatste wilsbeschikking voorgelezen en barst de bom. De steenrijke prinses, van wie wordt beweerd dat ze afgebrande lucifers opraapte om ze aan het andere eind weer aan te steken, heeft het betaamd de traditie met voeten te treden door niet alleen de oudste zoon tot universeel erfgenaam te benoemen maar ook Raimondo, de jongste zoon, haar oogappel. Daarmee zet ze Giacomo, de eerstgeborene, opnieuw een hak nadat ze hem vanaf de wieg heeft gesard en hem zelfs verbood te trouwen met de vrouw die hij begeerde. Ook de andere kinderen geeft de prinses nog een forse trap na in het testament door ze met belerende bewoordingen terecht te wijzen en met een fooi af te schepen.

Het kwaad is geschied. Nu zij niet langer onder het juk van hun moeder hoeven te buigen maar hun bewegingsvrijheid tegelijkertijd wel beperkt wordt door de laatste oekaze van de prinses, gaan ze als wilden om zich heen te trappen. Een carrousel van hatelijkheden en machinaties begint te draaien, voortgedreven door de motor van de afgunst, die op zijn beurt wordt gevoed door de brandstof van het eigenbelang. Hierbij zijn niet alleen de kinderen van de prinses betrokken, maar ook de aangetrouwde familie, haar drie zwagers en haar schoonzus donna Ferdinanda. Voortdurend verklaren ze elkaar de oorlog, zoeken nu eens bij de een, dan weer bij de ander bondgenoten, smeden complotten, spreken kwaad over de een, paaien de ander. Nu eens zijn de aanleidingen hiertoe financieel van aard, dan weer politiek of moreel of omdat de adeldom van het roemrijke geslacht der Uzeda's bezoedeld dreigt te raken. Ze bezitten geen geweten, hebben geen vaste principes, laten zich uitsluitend leiden door vrees voor hun eigen hachje en tot in het absurde doorgedreven stijfhoofdigheid. Wantrouwen, waanzin en jezuïetenstreken kenmerken hun handelingen, onherroepelijk wordt de lezer meegesleurd in een adembenemende dollemansrit op deze haatcarrousel.

Kapitein Haddock

Parallel aan het slagveld van de familie Uzeda ontrolt zich het politieke strijdtoneel van Sicilië in de tweede helft van de negentiende eeuw. Dat wordt bepaald door de moeizame overgang van het feodale regime der Bourbons naar een verenigd Italië, waarbij (grofweg gezegd) klerikalen en koningsgezinde reactionairen overhoop liggen met Garibaldijnen en liberale aanhangers van de regering in Turijn. De politieke constellatie werkt onvermijdelijk in op het persoonlijke reilen en zeilen van de van oudsher Bourbonsgezinde Uzeda's, maar ook omgekeerd, want men tracht aldoor de maatschappelijke veranderingen in zijn eigen voordeel om te buigen.

De eerste in de familie die zich daar een meester in betoont is de zwager van de overleden prinses, don Gaspare, hertog van Oragua. Ondanks zijn adellijke afkomst frequenteert hij aanvankelijk behalve koningsgezinde kringen ook liberale kringen en weet hij virtuoos tussen alle klippen door te zeilen. Zodra de feodale machthebbers aan de verliezende hand zijn, omarmt hij echter het liberale gedachtegoed en wordt hij zelfs tot afgevaardigde van het Italiaanse parlement gekozen. Hij weet iedereen te vriend te houden en tegelijkertijd zijn populariteit maximaal uit te buiten, en wel zo dat hij zichzelf schaamteloos verrijkt. Achter een masker van onbaatzuchtigheid schuilt een hebzuchtig en ijdel smoel. Zijn grootste vijand is zijn jongere broer don Blasco, slachtoffer van de traditie dat minstens één zoon van een adellijke familie tot een kloosterorde moet toetreden. Als fervente reactionair, bovendien opgezweept door tomeloze naijver op de vrijheid en de rijkdom van zijn broer, stelt hij alles in het werk om Gaspare te dwarsbomen. Maar ook hij kiest eieren voor zijn geld wanneer het benedictijnenklooster wordt opgeheven en de monniken op straat worden gezet. Dan blijkt hij er geen enkele moeite mee te hebben door de revolutionairen onteigende kerkelijke bezittingen op te kopen en zijn oude overtuigingen te verkwanselen.

Don Blasco is een van de meest kleurrijke personages die Federico De Roberto (1861-1927) ten tonele voert. Hij is de kapitein Haddock van de familie, een gepatenteerde stokebrand, gepokt en gemazeld in bulderen, brullen en briesen. Onder zijn habijt draagt hij een mes en een allerminst onschuldig geslachtsdeel, dat menig kind heeft verwekt. Als `een dikke bromvlieg' omzwermt hij zijn neven en nichten om hen tegen elkaar op te zetten en postuum wraak te nemen op de gehate prinses. Zelfs als de twistzieke intrigant overlijdt terroriseert hij nog zijn omgeving door een `misselijkmakende bloedgeur' die zijn op zijn testament azende verwanten belaagt.

De tegenpool van deze lotto spelende Mefisto is zijn neef don Lodovico, eveneens in het habijt gedwongen en bezield door frustratie. Zijn methode om wraak te nemen op het hem aangedane onrecht verschilt hemelsbreed van die van zijn liederlijke oom. Sluw camoufleert hij zijn honger naar genoegdoening en macht door grote devotie en ascetische deugdzaamheid. Net zoals zijn oom de hertog slaagt hij erin ieders sympathie te winnen door zijn valse bescheidenheid, waardoor hij het uiteindelijk tot kardinaal schopt.

Het weergaloze familiefresco ontleent zijn schoonheid en levendigheid aan nog meer contrasten. Tegenover de lelijke, schraapzuchtige, hypocriete moraalridder Giacomo, de oudste zoon van de overleden prinses, staat de knappe, spilzieke losbol Raimondo, die door zijn moeder tot op het bot verwend werd. De een koestert een krankzinnige angst voor het boze oog, de ander raakt door het dolle heen als hij zijn zin niet krijgt. Hun broer Ferdinando voegt weer geheel nieuwe kleurtoetsen toe aan de schildering. Zwelgend in wereldvreemde naïviteit woont hij ver van het gekonkel van zijn familie op een landgoed, waar hij landbouwkundige en natuurkundige experimenten uitvoert, een brave kerel die door zijn pinnige moeder niet voor niks `de Sukkel' werd genoemd. Niet minder excentriek en pathetisch is Ferdinando's oom cavaliere Eugenio, de man van de twaalf ambachten en de dertien ongelukken, die uiteindelijk aan de bedelstaf geraakt. En dan zijn er nog de vrouwen. Donna Ferdinanda, de oude vrijster wier handen steeds vleeslozer en ruwer worden van het geld tellen. Margherita, de vrouw van prins Giacomo, die daarentegen niets durft aan te raken. En de twee zussen, een en al wispelturigheid: de stuurse Lucrezia die tegen de zin van haar hele familie met de liberale advocaat Benedetto Giulente trouwt, en Chiara, wier leven in het teken staat van zwangerschappen, misgeboortes en adopties.

Hoewel het bloed van de Uzeda's lijkt te verschalen en hun macht door de politieke troebelen wordt aangetast, blijkt de nieuwste loot van het geslacht weer een bijzonder kiemkrachtig exemplaar. In hem, Consalvo, bundelen zich de meest pregnante karaktertrekken van zijn bloedverwanten: de losbandigheid (aanvankelijk) van Raimondo, de politieke ambitie en het grenzeloze opportunisme van de hertog, de kille berekening van zijn vader, de smetvrees van zijn moeder, de hoogmoed en trots op het roemrijke geslacht der Uzeda's van donna Ferdinanda, de hardvochtigheid en tirannieke heerszucht van zijn grootmoeder, de machtshonger en geleerdheid van kardinaal Lodovico. Zijn ontwikkeling is symptomatisch voor de manipulatieve overlevingsdrang van zijn familie: van onuitstaanbare kwajongen en verklikker van de liberalen, via arrogante relschopper tot alom gerespecteerde burgemeester van Catanië en uiteindelijk zelfs liberale parlementariër die voor vrijheid, gelijkheid en democratie pleit. Welbeschouwd doet hij wat hij thuis heeft geleerd: doen wat je het voordeligst uitkomt, ongeacht de manier waarop. Of, zoals De Roberto het verwoordt: `Monarchie of republiek, godsdienst of atheïsme, alles was voor hem een kwestie van materiële of morele winst, onmiddellijk of in de toekomst. [..] Er bestond niets anders dan het individuele belang, en om zijn eigenliefde te bevredigen was hij bereid alle middelen aan te wenden.'

Ontmaskering

Daarmee ventileert De Roberto niet alleen zijn cynische visie op de geschiedenis maar verklaart hij zich tevens schatplichtig aan Machiavelli. Diens traktaat De vorst biedt een volstrekt amorele methodiek om op een zo effectief mogelijke wijze macht te verwerven en te behouden, en ligt feitelijk (onbedoeld) aan de basis van het gewetenloze windhaantjesgedrag dat tot op de dag van vandaag de Italiaanse politiek beheerst. Het consigne van Consalvo Uzeda, `karakter is dat wat je iets oplevert', is doordrenkt van machiavellisme.

Daarnaast klinkt ook de pessimistische levensbeschouwing van dichter-filosoof Giacomo Leopardi (1798-1837) door in De Roberto's genadeloze ontmaskering van de Siciliaanse adel en, meer in het algemeen, van het menselijk gedrag. Net als het mismaakte wonderkind van de Italiaanse letterkunde ziet hij het als zijn taak de lezer te confronteren met (aldus Leopardi) `de onherstelbare leegte en valsheid van al het schone en grote'. `Het bestaan is een ordening tot het kwaad', was Leopardi's stellige overtuiging, en dat zou het adagium kunnen zijn van De onderkoningen. De Roberto's pessimisme is echter vitaler en humoristischer van aard dan dat van de getourmenteerde romanticus Leopardi, en dat maakt hem onherroepelijk een geestverwant van de adellijke honnête homme La Rochefoucauld (1633-1680). Diens meedogenloze maximes leggen op zwartgallige en scherpzinnige wijze de ijdelheid en het eigenbelang bloot van de menselijke soort. Nietsontziend ontrafelt hij de maatschappelijke komedie tot een weefsel van schijndeugden en onoprechte handelingen.

Bij De Roberto treffen we diezelfde gedrevenheid aan om de abjecte drijfveren en de onmatigheden van de mens met een diamantharde blik te registreren. Als vertegenwoordiger van het verisme, een door het Franse naturalisme beïnvloede stroming waarvan ook Giovanni Verga deel uitmaakte, was het zijn oogmerk op haast documentaire manier de werkelijkheid te beschrijven. De verteller in De onderkoningen bewaart inderdaad een discrete afstand ten aanzien van de baaierd van gebeurtenissen – ten gunste van een zekere objectiviteit en als het ware om niet besmet te raken door de verdorvenheid van de personages. Als spreekbuis gebruikt hij herhaaldelijk het personeel van de Uzeda's of andere lieden die geruchten verspreiden, zogenaamde `boze tongen' die uiteindelijk toch de waarheid blijken te hebben gesproken. Daarnaast wisselt hij weidse beschrijvingen van de wederwaardigheden der Uzeda's af met flitsende dialogen, waarbij de drie puntjes – vijftig jaar later het handelsmerk van scheldkanon Louis-Ferdinand Céline – je als hagel om de oren ratelen.

Het resultaat is een caleidoscopische, uitermate energieke vertelling die zijn vigeur geheel behoudt door de voortreffelijke vertaling van Els van der Pluijm.Nergens wordt de machtige vaart van het verhaal gestremd door onhandige formuleringen en zowel in karikaturaal plechtstatige schrijftaal (bijvoorbeeld van cavaliere Eugenio) als rauwe spreektaal (onder anderen van beroepsfoeteraar don Blasco) bewijst de vertaalster over een indrukwekkende wendbaarheid te beschikken. Dit proza sprankelt en schampert. Zozeer zelfs dat je geneigd bent deze sublieme soap avant la lettre hoger in te schatten dan die andere grote roman over de door ontwrichting bedreigde Siciliaanse adel, De tijgerkat (1958) van Giuseppe Tomasi de Lampedusa. Hoewel dit wereldberoemde en door Visconti verfilmde boek ruim een halve eeuw later is geschreven, lijkt De Roberto's magnum opus frisser en moderner van toon en thematiek dan de elegische en melancholieke vertelling over de lotgevallen van don Fabrizio, prins van Salina. Misschien omdat hij zelf een van de troon gestoten prins was en zich vereenzelvigde met zijn hoofdpersoon, verschaft Tomasi de weemoedige don Fabrizio het nodige krediet. De in het nauw gebrachte edelman probeert zijn huid niet te redden maar is eerder de autodestructieve lijkbezorger van zijn dynastie.

Decadentie en fatalisme regeren in De tijgerkat, terwijl onversneden haat en knetterend cynisme De onderkoningen tot zo'n explosief brouwsel maken. Bij De Roberto ontsnapt niemand aan de beulsblik van de auteur, zelfs niet de niet-adellijke Benedetto Giulente, die zijn revolutionaire idealen te grabbel gooit en als echtgenoot van Lucrezia Uzeda heult met de vijand, uitsluitend omdat hij door eerzucht wordt verteerd. Zijn val is diep terwijl Consalvo, de nieuwe prins van Francalanza en afstammeling van de feodale onderkoningen, vaster dan ooit in het zadel zit.

De arrogantie van de macht en de macht van de arrogantie is onverwoestbaar. De geschiedenis herhaalt zich, en zoals de adellijke `liberaal' Consalvo oppert: alleen de uiterlijke omstandigheden veranderen. Met die onthutsende slotsom op de laatste bladzijde van De onderkoningen wordt de poort met een verwoestende kracht in het slot gegooid en begrijp je dat je als een rat in de val zit: het palazzo dat je aan het begin bent binnengegaan is de wereld en de wereld is een beerput boordevol kwaadaardigheid en dubbelhartigheid – er is geen ontsnappen aan.

Federico De Roberto: De onderkoningen. Uit het Italiaans vertaald door Els van der Pluijm. De Bezige Bij, 702 blz. €39,90 (geb.)