`Bepaalde dingen houd je voor je'

Schatkistbewaarder Kees van Dijkhuizen gaat van het ministerie van Financiën naar een commerciële bank. De invoering van de euro was zijn grootste wapenfeit.

Wat heb je nog bij de overheid te zoeken als je na een ambtelijke carrière van 26 jaar je jongensdroom hebt verwezenlijkt? Dan vertrek je, besloot Kees van Dijkhuizen (49), tot afgelopen maandag thesaurier-generaal (schatkistbewaarder) op het ministerie van Financiën. Per 1 december begint Van Dijkhuizen aan deel twee van zijn loopbaan, als bankier bij de commerciële investeringsbank NIB Capital. Hij werd gevraagd.

Van Dijkhuizen legde afgelopen maandag, nadat alles rond was met NIB, per direct zijn werkzaamheden neer ,,om belangenverstrengeling te voorkomen''. ,,Als thesaurier zie ik soms gegevens van banken langskomen, ik wil mezelf niet in de problemen brengen door nu nog door te werken'', zegt hij. Die stap is uniek, nooit eerder legde een thesaurier-generaal zijn functie onmiddellijk neer, maar het past volgens Van Dijkhuizen in de nieuwe tijdgeest van strenger toezicht op financiële dienstverlening en de Code Tabaksblat.

Een paar dagen na zijn besluit om over te stappen kan Van Dijkhuizen al niet meer in zijn computer. De grote rode container die pontificaal middenin zijn voormalige werkkamer op de derde verdieping van het ministerie van Financiën staat, is inmiddels voor de helft gevuld met papier. De boekenkasten ogen leeg. Medewerkers van het ministerie reageerden verrast op het plotselinge vertrek van de schatkistbewaarder. Ze vroegen zich af of hij wat verkeerd gedaan had dat hij per direct vertrokken was. Een medewerker stuurt alsnog een mailtje rond met de werkelijke reden.

NIB Capital heeft hem niet om zijn kwaliteiten als financieel directeur van een bank binnengehaald, erkent hij. Die heeft hij namelijk nog niet. Zijn kennis van de financiële markten maakt hem interessant voor de investeringsbank: Van Dijkhuizen werkte als thesaurier mee aan het opstellen van nieuwe internationale boekhoudregels (IFRS) voor alle Europese beursgenoteerde ondernemingen, was voorzitter van de Financial Service Committee (voor Europese diensten) en was `de baas' van alle staatsdeelnemingen en alle transacties rondom de staatsschuld. ,,Ik heb geen precieze kennis van banken, alleen algemene, maar er gelden wel afspraken'', zegt Van Dijkhuizen. Niet alles wat hij de afgelopen jaren op Financiën voorbij heeft zien komen is openbaar. ,,Bepaalde dingen houd je gewoon voor je. Punt. Daar teken je gewoon voor. Ik ben ook niet de eerste die na het thesaurierschap naar een commerciële bank gaat, Cees Maas ging naar de ING, Piet Korteweg naar Robeco, Coen Oort naar ABN Amro. Maar als overheid hebben we nu de mond vol van corporate governance en daar moet je dan ook zelf naar handelen.''

Van Dijkhuizen begon zijn ambtelijke carrière in 1981 op Financiën, waar hij werd binnengehaald door toenmalig hoofd van de afdeling begrotingsvoorbereiding Gerrit Zalm. Na een uitstapje van 12 jaar op Economische Zaken (waarvan drie jaar onder Zalm) werkt hij sinds 1997 weer dagelijks samen met de VVD'er. ,,Gerrit is een minister die over het algemeen meer weet dan zijn ambtenaren, maar dat is niet erg.

,,Het doel is niet de minister te verslaan, het doel is dat een minister goed politiek sturing geeft aan het departement. En dat gaat in goede samenwerking hier.'' Het vertrouwen tussen de minister en de machtigste ambtenaar is altijd groot geweest. Van Dijkhuizen nam de minister zelfs incidenteel waar tijdens Europese vergaderingen van ministers van Financiën en op IMF-vergaderingen. Mede daardoor heeft ook Van Dijkhuizen bijvoorbeeld warme banden met de Luxemburgse premier en minister van Financiën Jean-Claude Juncker.

De econoom Van Dijkhuizen (hij studeerde net als Zalm aan de Vrije Universiteit in Amsterdam) heeft geleerd dat de rationaliteit van de economie niet altijd overeenkomt met de resultaten van een politiek debat. ,,In de ministerraad is het een kwestie van geven en nemen. Het was mijn taak als thesaurier om de minister genoeg argumenten te geven om zijn doel te bereiken.'' Maar ook de politiek besefte dat er ingegrepen moest worden toen het economisch slecht ging. ,,We hebben dat goed gedaan met de hervormingen van de afgelopen jaren, daar kunnen andere landen nog wat van leren.'' Hij ergert zich wel eens aan het gemak waarmee geconstateerd wordt dat er eerder ingegrepen had moeten worden. ,,Niemand heeft de crisis zien aankomen, en in Nederland kwam die nog harder aan dan we hadden voorzien. Maar dat is wel met benefit of hindsight. Natuurlijk moet je in goede tijden het dak repareren, en we dachten eind jaren negentig dat we na bijna twintig jaar hervormen en bezuinigen het lek redelijk boven hadden.''

Van Dijkhuizen schreef in 2001 het rapport Stabiel en Duurzaam waarop dit kabinet zijn begrotingsbeleid baseerde. Ook daarin werd nog uitgegaan van een groei van 2,25 procent per jaar. Voor de periode 2003-2007 wordt inmiddels een groei van gemiddeld 1,5 procent per jaar verwacht, na een groei van 3,7 in de vijf jaar daarvoor. De vraag is volgens Van Dijkhuizen nu niet wie het verkeerd had, maar hoe het opgelost moet worden. ,,Het einddoel is dat we de vergrijzing goed pareren. Dat betekent meer werkgelegenheid, saneren in stelsels die gevoelig zijn voor vergrijzing en het verder aflossen van de staatsschuld.''

Nederland zou wat dat betreft een voorbeeld moeten nemen aan Scandinavië (,,de nordics'' noemt Van Dijkhuizen die). Het is van groot belang om de participatiegraad (het aantal werkenden ten opzichte van het aantal inactieven) te vergroten. ,,Het is niet erg om een conjunctuurcyclus te hebben rondom een participatiegraad van 80 procent, dat is een fact of life en dat moet je niet willen uitschakelen. Maar als zoals in Nederland de participatie dichter bij de 60, 65 procent ligt, in volle banen gerekend, dat is zonde. Daar is dit kabinet hard aan gaan werken en dat zal in de toekomst ook moeten gebeuren.'' Doorpakken dus en niet verslappen, vindt Van Dijkhuizen. ,,De vergrijzing staat de komende kabinetsperiode al voor de deur, we gaan het vanaf 2007 echt voelen dat de babyboomers die dan 60, 61 jaar zijn stoppen met werken. Want nog steeds werkt bijna niemand door tot 65 jaar.''

In de zes jaar op de generale thesaurie was de introductie van de euro zijn spannendste project, zegt hij. ,,Dat was concreet, het ging over echt geld. Je maakt zo'n change-over maar hooguit één keer in je leven mee, dat kun je niet oefenen. Ik weet nog goed dat het tweede kerstavond begon te sneeuwen en ik dacht aan die duizend geldautootjes die wij de volgende ochtend als een soort service aan de winkeliers lieten vertrekken uit Lelystad om het geld te verspreiden over Nederland. Als daar iets was misgegaan, een overval, met doden, dan hadden wij het gehoord.''

Hij vindt het negatieve gevoel over de euro jammer. ,,De meeste eurolanden hebben iets te lichtvaardig gedacht dat als ze maar zouden aantonen dat het met de inflatie wel meeviel dat de burger dat ook zou snappen. Maar de mensen werden geconfronteerd met hoge prijzen in de horeca, gingen de euro makkelijker uitgeven dan de gulden en waren eerder door hun geld heen. Daar doe je niks aan. Dat zullen nieuwe landen die tot de euro toetreden ook gaan merken, er is geen gouden tip.''

Als thesaurier was hij zowel bij de concrete introductie betrokken als bij de achterliggende regels, het Europese Stabiliteits- en Groeipact. Dat werd na veelvuldige schending door Duitsland en Frankrijk aangepast. ,,Dat is een echte trade-off geweest. Die twee landen lapten de regels aan hun laars en wij wilden dat ze het pact zouden accepteren. In ruil hebben we toegezegd dat de conjunctuur een iets grotere rol zou krijgen in het pact. Dat kon alleen omdat Nederland daarmee instemde. Als Zalm dat niet acceptabel had gevonden, was het niet gebeurd. Nederland is in de eurogroep een machtig land geworden.''