Zet die culturele bril eens af!

De opstand van de Franse migrantenjeugd in de buitenwijken zet het triomfalisme over het Franse Republikeinse model op losse schroeven, vindt Sjoerd de Jong.

Hoe moet het verder met de inburgering van etnische minderheden in Europa? In Nederland heerst sinds enkele jaren de conventional wisdom dat hun integratie is `mislukt' en het multiculturalisme failliet is. Het is een conclusie waar veel op af te dingen valt, maar die inmiddels tot de canon van het post-Pim-tijdperk behoort. Maar sinds de eerste rellen in Clichy-sous-Bois twee weken geleden, is ook die andere aanpak, waar antimulticulturalisten hoog van konden opgeven, het Franse `republikeinse' model, in de woorden van minister van Binnenlandse Zaken Sarkozy, een `echec'.

Dat is opmerkelijk. Nog vorige maand schreef de Amerikaanse liberaal Francis Fukuyama op deze pagina, over de Europese zoektocht naar integratiemodellen voor onwennige en onwillige minderheden: ,,Frankrijk is op de goede weg met het idee van de laicité'. Voortbouwend op de traditie van de republikeinse Verlichting leert iedereen op school Frans, lezen ze Racine en Voltaire, kennen ze de Franse geschiedenis. Ook iemand uit Martinique krijgt zo het gevoel Fransman te zijn; ook een niet-blanke niet-Europeaan kan op die manier een Fransman worden.''

Blijf dromen, zou je nu zeggen, met op het netvlies de brandende autobussen, scholen en winkels. De spontane opstand van de grotendeels half-verpauperde migrantenjeugd zet triomfalisme op losse schroeven over de Franse aanpak die, in plaats van de slappe Hollanders, zo recht door de Republikeinse zee zou zijn, en zo direct op-de-seculiere-man-en-vrouw af. Het is een mooi zelfbeeld, maar het ligt aan scherven op de straten van Trappes, Evreux, Bobigny en al die andere reservaten van kanslozen.

Hoe nu verder? Is er hoe dan ook geen `model' om minderheden in te burgeren, hetzij langs multiculturele hetzij langs assimilationistische weg? Cynisme en defaitisme liggen hier op de loer, en is ook al te beluisteren in radicale commentaren van de overzijde van de Atlantische Oceaan, waar sommige rechtse waarnemers met een mengeling van leedvermaak en meewarigheid over de Oude Wereld zinspelen op een `Euro-Arabische burgeroorlog'. Zulk alarmisme speelt in op het `ze haten ons'-gevoel dat ook hier soms de ondertiteling vormt van het tumult over vreemdelingen, vooral moslims en de islam. Dat veel jeugdige relschoppers geen Arabieren zijn, en dat kenners als Oliver Roy er terecht op wijzen dat de meeste Franse moslims zich helemaal niet identifceren met de straatjeugd uit de banlieue, en fundamentalisten niets op hebben met de jeugdige subcultuur van drugs en uitgaan – doet er voor zulke alarmisten niet toe. De Rotterdamse wethouder Marco Pastors verwees deze week na zijn aftreden meteen even naar de Franse gebeurtenissen om duidelijk te maken wie er tegenwoordig nu écht `gevaarlijke mensen' zijn.

Juist nu blijkt dat ook achter het Republikeinse model een povere realiteit schuil gaat van jarenlange politieke, sociale en economische verwaarlozing, is er aanleiding voor een heel andere conclusie: er moet eindelijk eens echt werk worden gemaakt van sociaal-economische integratie in Frankrijk. De crisis in de Parijse banlieues is het gevolg van een mobiliteitsdempend maatschappelijk stelsel dat ondanks het egalitaire ideaal een gesloten karakter heeft, en een gestagneerde economie die onvoldoende werk creëert voor de onderkant. Het is een oprisping van een sociaal-economische onderklasse, die ook te herkennen is in Groot-Brittannië of de Verenigde Staten.

Dat moet veranderen, zoals de Fransen nu ook beseffen: integratie begint op school en met een baan. Aan het eerste, of aan de taal, ligt het daar niet, want op dát vlak heeft het Republikeinse model gewerkt: de strijdkreten en vrome uitlegjes aan cameraploegen daarna, klonken in eigentijds Frans van de straat. De stappen van de regering-Villepin zijn een eerste stap in de goede richting, maar veel te weinig, zoniet te laat. Een veel grootschaliger aanpak is nodig, óók met het oog op radicalisering. Want ook al heeft deze rebellie niets van een politiek-religieuze jihad, in troebel water is het natuurlijk goed vissen. Zoals in de Franse gevangenissen bekeringen tot de islam aan de orde van de dag zijn, als strohalm aan de afgrond, zo kan dat ook gebeuren in de troosteloze jeugdgevangenissen die banlieu heten. De Franse politicoloog Gilles Kepel sloeg de spijker al eens op de kop: ,,Op de lange termijn speelt de strijd tegen het terrorisme zich daarom eerder af in de buitenwijken van de Europese steden dan in Washington, Gaza, Riad of Bagdad.'' Geïntegreerde jonge Europese moslims kunnen volgens hem ,,over heel de wereld een voorbeeld worden voor hun geloofsgenoten. Maar dat veronderstelt dat Europese samenlevingen het integratieproces van bevolkingsgroepen die nog te vaak gehandicapt zijn door het feit dat ze behoren tot de kansarme lagen van de maatschappij, tot een goed einde brengen, en hun sociale stijging begeleiden.'' Zo is het. De uitbarsting van frustratie die de buitenwijken deed trillen, is het werk van een migrantenjeugd die buiten het republikeinse paradijs is gebleven.

En Nederland? Het feit dat de achterstandswijken hier zoveel kleiner zijn dan de Franse, is mooi maar op zichzelf nog geen geruststelling. De schaarbeweging die zich in grote steden voltrekt is vergelijkbaar met die in andere Europese landen: de middenklasse vertrekt naar suburbia, de elite monopoliseert de binnensteden, daartussen zitten migranten bekneld tussen ringweg en Vinex. Bij het uitblijven van economische groei stagneert de sociale mobiliteit in die wijken. Het culturele debat dat Nederland in zijn greep heeft, is belangrijk, zeker. Maar met het Franse schrikbeeld voor ogen, zou het goed zijn als we, het kabinet voorop, wat betreft integratiezaken de culturele bril eens afzetten, en de sociaal-economische lens weer bijslijpen.

Sjoerd de Jong is redacteur van NRC-Handelsblad.