Kamer gaat Brussel meer controleren

De Tweede Kamer wil een lang gekoesterd verlangen eindelijk gaan uitvoeren: eerdere bemoeienis met Brusselse plannenmakerij.

Na jaren aarzelen zet het Nederlandse parlement, in samenwerking met de 24 andere nationale parlementen van de Europese Unie, een historische stap: de onverwijlde invoering van de `subsidiariteitstoets'. Die maakt het mogelijk om tegen Brussel te zeggen dat het met zijn handen van iets moet afblijven, omdat het op nationaal niveau geregeld wordt.

,,Het Europees Parlement controleert de Europese Commissie. Nu organiseren we voor het eerst échte parlementaire controle op de Europese Raad, dat is nieuw'', meent Eerste-Kamerlid Erik Jurgens (PvdA). ,,Dit hadden we al lang geleden moeten doen. We zijn vijftig jaar laks geweest, en hebben de Europese wetgeving maar op ons af laten komen.'' ,,Eindelijk wordt Brussels beleid Haags beleid'', meent Hans van Baalen (VVD). ,,Natuurlijk is nog veel onzeker'', meent Tweede-Kamerlid Jan Jacob van Dijk (CDA), ,,maar de praktijk zal het leren. We moeten zo snel mogelijk beginnen, vanaf 15 januari.''

De procedure staat minutieus beschreven in het jongste advies van de uit Eerste- en Tweede-Kamerleden bestaande commissie-Van Dijk: bij elk van de ongeveer 180 à 200 wetgevingsinitiatieven die de Europese Commissie jaarlijks produceert, zal het Nederlandse parlement voortaan kunnen uitspreken of het hier niet iets betreft wat beter op nationaal niveau geregeld kan worden.

Alle commissievoorstellen bespreken, dat zou de verwerkingscapaciteit van de Eerste en Tweede Kamer ver te boven gaan. Men begint op bescheiden schaal: aan de hand van het wetgevings- en werkprogramma van de Europese Commissie zal jaarlijks in alle parlementen van de EU-lidstaten ongeveer gelijktijdig een debat plaatsvinden waarin wordt vastgesteld tegen welke commissievoorstellen bezwaren kunnen leven. Daaruit zal, Europa-breed dus, een lijst van 10 à 15 voorstellen worden vastgesteld waarover de nationale parlementen een nader oordeel vellen, qua subsidiariteit.

De invloed van die handelwijze is, hoopt de commissie, tweeledig: de parlementen geven een instructie aan hun nationale ministers die in de Europese Raad – het voornaamste wetgevend orgaan van de Europese Unie – over het desbetreffende voorstel moeten onderhandelen. En voor de Europese Commissie kan de procedure fungeren als een early warning, aldus de commissie-Van Dijk, om geen onhaalbare voorstellen in te dienen. Over de te volgen werkwijze, zegt commissievoorzitter Van Dijk, is overeenstemming bereikt binnen de COSAC, de conferentie van de commissies Europese Zaken in de 25 nationale parlementen van de EU-landen. Alle doen mee.

In de door het Franse en Nederlandse referendum verworpen Europese Grondwet was de subsidiariteitstoets voorzien – waarbij de oppositie van zes nationale parlementen voldoende zou zijn om willekeurig welk commissievorstel de zogeheten `rode kaart' te geven. De commissie-Van Dijk was aanvankelijk ingesteld om deze procedure handen en voeten te geven. Maar ook al treedt die Europese Grondwet vermoedelijk nooit meer in werking – de subsidiariteitstoets komt er toch. Niets in de nationale of Europese wetgeving verhindert haar immers, concludeerde ook onlangs de Nederlandse Raad van State. Zonder de in de Europese Grondwet voorziene verplichte intrekking van commissievoorstellen weliswaar, maar dat maakt niet uit, zegt Jurgens: ,,Ofschoon dat staatsrechtelijk mogelijk zou zijn, lijkt me toch vrij sterk dat de Europese Commissie, wanneer zes nationale parlementen op grond van de toets een voorstel afwijzen, anders zou handelen dan in het Grondwettelijk Verdrag staat''.

De motie Herben/Van Aartsen waarvoor deze week in de Kamer brede steun bleek te bestaan, mikt op een Nederlands principebesluit nog voordat op 17 november in Den Haag een mede door het Britse voorzitterschap georganiseerde Europese vergadering over subsidiariteit bijeenkomt. Er komt een gemengde commissie-subsidiariteitstoets van Eerste en Tweede Kamer, die aan beide Kamers advies uitbrengt welke voorstellen van de Europese Commissie voor het uitvoeren van de toets in aanmerking komen. De verdere afhandeling, in elke Kamer afzonderlijk, is de gebruikelijke parlementaire weg: behandeling in de desbetreffende Kamercommissie (Verkeer en Waterstaat, Volksgezondheid et cetera) en eventueel een plenair debat.

De subsidiariteitstoets lijkt iets formeels: het antwoord op de vraag of procedureel iets door Europa geregeld mag worden. Gaan onder dat mom nationale parlementen niet binnen de kortste keren een oordeel vellen over de inhoudelijke merites van commissievoorstellen? Van Dijk ziet geen bezwaar: ,,Met de vraag of iets in overeenstemming is met regeltjes, ben je in principe in twee minuten klaar. Maar de toets heeft ook betrekking op proportionaliteit – of de voorgestelde maatregelen in verhouding staan tot het probleem. Dat is meteen al een veel politiekere vraag''.

Voor Van Baalen is politisering van de toets zeer wenselijk: ,,Ik hoop zeer dat de diverse fracties met de toets onderling politiek gaan concurreren – natuurlijk heeft de PvdA bezwaren tegen andere Commissievoorstellen dan de VVD. Het wordt een zaak van nationale politieke afweging.''