EU-beleid vraagt om regie premier

`Buitenlandse Zaken heeft absoluut de primaire rol in het Nederlandse Europabeleid, wij coördineren'', zo reageerde minister van Buitenlandse Zaken, Bot, op een onlangs door de Raad van State gepubliceerd advies (NRC Handelsblad, 26 oktober). Daarin wordt juist gepleit voor meer invloed van de premier op het Europabeleid. Bot probeerde de pijn voor zijn eigen ministerie te verzachten met de bewering dat het advies in de pers verkeerd was weergegeven en ,,alleen'' zou behelzen dat er ,,meer coördinatie'' in Europese aangelegenheden nodig is om de verkokering tussen de departementen tegen te gaan.

De reactie van Bot lijkt vooral ingegeven door bureaupolitieke zorg om de positie van Buitenlandse Zaken in het interdepartementale krachtenveld. Toch zijn er goede redenen om de positie van de premier te versterken. Daarop wijst niet alleen de Raad van State, maar ook de Raad voor het openbaar bestuur in een al eerder uitgebracht advies. Ook een motie die woensdag in de Kamer werd ingediend, gaat in die richting.

Waarom is het niet meer vanzelfsprekend dat Buitenlandse Zaken in `Europa' het voortouw neemt? Overheveling van de EU-coördinatie naar Algemene Zaken symboliseert allereerst dat onze inbreng in Europa allang niet meer een zaak van buitenlands beleid is, maar onlosmakelijk verbonden met nagenoeg alle `binnenlandse' beleidsterreinen. De overheveling past ook bij het sterkere profiel van de Europese Raad in de EU. Steeds meer worden in dat orgaan door staatshoofden en regeringsleiders de hoofdlijnen voor de koers van de EU uitgezet. Overheveling naar de premier en zijn departement zou ook het onafhankelijke karakter van de coördinatierol versterken. Buitenlandse Zaken heeft immers als vakdepartement ook 'eigen' belangen, met name op het terrein van het gemeenschappelijk buitenlands beleid van de EU. Het zou ten slotte passen bij de speciale verantwoordelijkheid van de minister-president – als voorzitter van de ministerraad – voor de `eenheid van het regeringsbeleid'.

De wijze waarop Nederland nu zijn inbreng in de EU organiseert is te veel georiënteerd op de laatste stadia van de besluitvorming in Brussel (in de Raad van Ministers, al of niet in samenwerking met het Europarlement). Buitenlandse Zaken heeft dan de handen vol aan tal van interdepartementale coördinatiecomités die speciaal voor het Nederlandse Europabeleid zijn ingesteld. De Haagse departementen moeten het daarin zien eens te worden over het Nederlandse standpunt. Dat levert veel Haags geschreeuw op, maar weinig Brusselse wol, want op dat moment zijn in Brussel voor de meeste dossiers de kaarten allang geschud.

Om niet achter het net te vissen loont het daarom veel meer om proactief te anticiperen op de Europese beleidsagenda. Want door de uitbreiding met nieuwe lidstaten en de toename van besluitvorming met `gekwalificeerde meerderheid' is de dynamiek van Brusselse onderhandelingen nu heel anders dan in de beginjaren van de Europese integratie (toen elke lidstaat op het laatste moment nog kon terugvallen op zijn vetorecht). Dat betekent dat we in een veel vroeger stadium van de beleidsvorming bij de les moeten zijn, liefst nog vóórdat de Commissie een voorstel op tafel legt. Vroegtijdige politieke afweging van Nederlandse gezichtspunten en belangen is nodig om Europees beleid-in-wording – mede door het aangaan van coalities met andere lidstaten – effectief te beïnvloeden.

Dat vraagt om gezaghebbende politieke regie door de minister-president. Maak hem verantwoordelijk voor de wederzijdse afstemming van de nationale en de Europese beleidsagenda. Voor een proactieve en door politieke prioriteiten bepaalde inbreng in de EU is regie van de premier onmisbaar.

Sophie van Bijsterveld is universitair hoofddocent aan de Universiteit van Tilburg en lid van de Raad voor het openbaar bestuur; Peter de Goede is senior adviseur van die Raad.