De vraag is van wie het onderwijs eigenlijk is

In NRC Handelsblad van 4 november houdt Jan Drentje een vurig pleidooi om het studiehuis inhoudelijk in handen van leraren te geven. Hij roert een aantal behartigenswaarde zaken aan maar vergeet te vermelden dat diezelfde leraren aan de wieg stonden van dat studiehuis. Ik was daar indertijd in een organisatorische functie nauw bij betrokken.

Zoals het altijd gaat in het voortgezet onderwijs was de inrichting van dat onderwijs indertijd een compromis, opgelegd na een langdurig proces van lobbyen door de vakinhoudelijke verenigingen die de belangenbehartiging van hun leden zeer hoog in het vaandel hadden staan. Des te meer eindtermen en kerndoelen voor een vak uiteindelijk in het lesprogramma van het studiehuis terecht zouden komen, des te meer uren er immers voor de vakdocenten beschikbaar zijn en dus brood op de plank. Dat is ook de reden dat logische combinaties van vakken zoals natuurkunde, scheikunde en biologie tot science. Of geschiedenis en aardrijkskunde tot wereldkennis, moeizaam of niet totstandkomen in het voortgezet onderwijs. Dat is ook de reden dat een vak als wiskunde zo belangrijk blijft. Dat is ook de reden dat nieuwe vakken zoals informatica zo moeilijk van de grond komen.

Impliciet rijst uit het artikel van Jan Drentje een vervolgvraag: van wie is het onderwijs? Van de docenten? Van de leerlingen, ouders, schoolbesturen? Van de politiek (die ieder maatschappelijk probleem het onderwijs in dumpt), het bedrijfsleven of het vervolgonderwijs? Deze vraag moeten we eerst maar eens beantwoorden voordat we weer dezelfde fout maken; het onderwijs weggeven aan de leraren en het speelbal te laten worden van lerarenbelangen.