Bijdrage aan discussie over winstbegrip

In zijn rubriek `Fiscale Zaken' van 28 oktober gaat Aertjan Grotenhuis in op mijn bijdrage in het Weekblad fiscaal recht van 15 september jl. Dat artikel heb ik geschreven naar aanleiding van de nota `Werken aan winst' waarin staatssecretaris Wijn voorstellen doet voor een mogelijke hervorming van de Wet op de vennootschapsbelasting per 2007. De voorstellen uit de nota moeten, na discussie, een vervolg krijgen met een nog in te dienen wetsontwerp. Met mijn artikel heb ik, uiteraard niet in mijn hoedanigheid van raadsheer in de Hoge Raad, een bijdrage aan die discussie geleverd en heb ik enkele suggesties voor een verbreding van het winstbegrip gedaan. Dat daarbij ook kritische opmerkingen over de nota worden gemaakt, ligt voor de hand. Zo heb ik in een voetnoot vraagtekens geplaatst bij een door de staatssecretaris voorgestelde dekkingsmaatregel die bestaat uit de beperking van de afschrijving op vastgoed. Ik spreek daarbij de hoop uit dat bij de Kamerbehandeling ook aandacht zal worden besteed aan het moeilijk te schatten bedrag van de opbrengst van deze dekkingsmaatregel, 1,7 miljard euro per jaar. Daarnaast plaats ik kanttekeningen bij deze dekkingsmaatregel vanwege te verwachten uitvoeringsproblemen. Ik kom uiteindelijk tot de conclusie dat ook andere, door mij in het artikel uitgewerkte, (aanvullende) maatregelen ter verbreding van de grondslag voor de heffing van de vennootschapsbelasting moeten worden overwogen. Met mijn artikel heb ik niet beoogd, zoals Grotenhuis het uitdrukt, parlementariërs te waarschuwen zich niet in de luren te laten leggen. Dat, zoals Grotenhuis zegt, de HR door middel van mijn artikel invloed op het wetgevingsproces wil uitoefenen is evenmin juist. Allereerst heb ik mijn artikel op persoonlijke titel geschreven. Maar bovendien heb ik met mijn artikel de intentie gehad een bijdrage te leveren aan de discussie over de hervorming van de Wet op de vennootschapsbelasting. Het lijkt mij nuttig dat fiscalisten uit alle hoeken van de fiscale praktijk zich in deze discussie mengen zodat de wetgever optimaal wordt voorbereid op de te nemen beslissingen.

De door Grotenhuis gebruikte formuleringen ,,invloed uitoefenen'' en ,,in de luren laten leggen'' suggereren een bedoeling die geenszins bij mij, laat staan de Hoge Raad, aanwezig was.