In de Tweede Kamer is de Grondwet niet dood

De Tweede Kamer debatteerde gisteren over Europa. De Grondwet mag dan verworpen zijn, over de inhoud blijven de meeste politici enthousiast.

,,Men zegt dat het Grondwettelijk Verdrag dood is na het referendum. Maar als ik uw Kamer beluister, lijkt het me de vraag of dat wel zo is'', zei premier Balkenende gisteravond aan het eind van het debat over de Staat van de Unie, het jaarlijkse kabinetsstuk over het Europa-beleid.

Bijna acht uur lang maakten de partijen van de Tweede Kamer, geflankeerd door enkele Nederlandse europarlementariërs, de stand op van het Europa-beleid na het `nee' in het Nederlandse referendum over de Europese Grondwet. Veel van de ideeën uit de verworpen Europese Grondwet, constateerde de premier, liggen de Kamerleden nog na aan het hart: openbaarheid van wetgevende vergaderingen van de Europese Raad, een subsidiariteitstoets, de mogelijkheid van een burgerinitiatief.

Aan het eind van het debat was er in de Kamer een meerderheid voor een motie van Herben (LPF) en Van Aartsen (VVD), waarin het kabinet wordt opgedragen nog in deze kabinetsperiode te komen tot een versterking van de rol van de premier bij de agendering en coördinatie van het Europa-beleid – een idee uit een recent advies van de Raad van State.

In een motie aan zichzelf, waarvoor vrijwel Kamerbrede steun bestond, draagt het parlement zichzelf op om nog vóór 17 november – als in Den Haag een EU-conferentie over `subsidiariteit' plaatsvindt – een concreet plan te maken voor de beoordeling van Europese beleidsvoorstellen in de Eerste en Tweede Kamer. Op deze wijze, betoogde Van Aartsen, kan ernst worden gemaakt met het door alle partijen en de regering beleden ideaal om Europese besluitvorming een grotere rol te laten spelen in de nationale politieke context.

Plannen voor zo'n parlementaire toets voor Europese voorstellen worden al sinds 2003 ontwikkeld door een commissie-Van Dijk (CDA), bestaande uit leden van de Eerste en Tweede Kamer. Een uitgewerkt, voorshands nog vertrouwelijk plan voor zo'n toets zou op 23 november in het presidium van de Tweede Kamer worden behandeld, maar Van Aartsen meende dat het wenselijk zou zijn de plannen nog voor de conferentie van 17 november te implementeren.

Uit het rapport van de commissie-Van Dijk blijkt dat ook in de andere 24 nationale parlementen van de EU enthousiasme bestaat voor wat in Nederland de `subsidiariteitstoets' genoemd wordt: een stelselmatige toets of wat op Europees niveau wordt voorgesteld niet beter nationaal geregeld zou kunnen worden.

In het debat werd weinig meer gesproken over het mislukken van de Brede Maatschappelijke Discussie over Europa – inmiddels verschrompeld tot het voornemen van de regering om een nieuwe Europa-website en een aantal focusgroepen in te stellen. Verhagen (CDA) had een aanvaring met minister Bot (Buitenlandse Zaken, ook CDA) over een hem ingediende (vermoedelijk kansloze) motie om de parlementaire behandeling van de toetreding van Roemenië en Bulgarije uit te stellen, omdat met name Roemenië nog te corrupt zou zijn.

Verhagen noemde dit uitstel een stok achter de deur voor de Roemenen, maar Bot meende dat het effect tegengesteld zou zijn, daar Roemenië zijn hoop op toetreding zou kunnen verliezen. Verhagen noemde dit, geërgerd, `een irritante redenering'. Ten slotte verklaarde hij zich echter bereid de motie aan te houden totdat de Kamer over Roemenië heeft gedebatteerd.

Wat de regering precies vond van de motie waarin wordt geëist dat de rol van de premier wordt versterkt, bleef mistig. Bekend is dat met name minister Bot fel tegenstander is van een personele versterking van het ministerie van Algemene Zaken ten koste van Buitenlandse Zaken, waar de coördinatie van het Europees beleid thans ambtelijk plaatsvindt. Balkenende wekte de indruk de motie over te nemen, omdat hij meende geen bezwaar te kunnen hebben tegen meer coördinatie en agendering: ,,Zo kan ik er ook een draai aan geven''.