Een oprecht verbijsterde psychiater

Dries van Dantzig, die gisteravond op 84-jarige leeftijd na een hersenbloeding overleed, was veel meer dan een psychiater. Hij wilde mensen beter maken, maar daarenboven wilde hij vooral de wereld beter maken. Van Dantzig was een actievoerder voor de geestelijke gezondheidszorg; hij had zichzelf de rol aangemeten van psychiater voor de wereld, om te beginnen bij Nederland. Vanuit zijn woning in Amsterdam-Zuid vertelde hij het land op gedecideerde, zelfverzekerde toon, maar vol compassie, hoe het zat en hoe het moest – in essays, boeken, ingezonden brieven en opiniestukken. En hij lobbyde tot in Den Haag voor zijn idealen.

De geestelijke gezondheidszorg, was zijn belangrijkste boodschap, is even belangrijk als de lichamelijke, maar in vergelijking daarmee heel armoedig geregeld. Van Dantzig was oprecht verbijsterd door de vanzelfsprekendheid waarmee mensen allerlei psychisch lijden in onze huidige samenleving accepteren – verslavingen, angsten, verborgen depressies. Als het om lichamelijke ziektes zou gaan, zou de verontwaardiging enorm zijn, betoogde hij. Van Dantzig was ervan overtuigd dat een vermindering van geestelijk lijden mogelijk was, als er maar meer geld en aandacht naar de geestelijke gezondheidszorg zou gaan. Dat zag hij als een teken van beschaving. Hij pleitte onder meer voor een staatssecretaris voor Geestelijke Volksgezondheid.

Zelf verklaarde hij zijn actiebereidheid altijd vanuit zijn jeugd: Van Dantzig groeide op in een sociaal-democratisch gezin, en leerde al vroeg dat het belangrijk was om te strijden tegen armoede, ongelijkheid en sociale onrechtvaardigheid, zelfs al lijkt dat soms een druppel op een gloeiende plaat. Maar daarnaast had hij ook een tomeloze energie. Hij overleefde het concentratiekamp Neuengamme. Sinds 1959 was hij psychiater; in 1972 promoveerde hij en werd hoogleraar psychotherapie aan de Universiteit van Amsterdam. Hij behandelde tot op het laatst nog patiënten in zijn praktijk als vrijgevestigd psychiater, en tenniste na zijn tachtigste nog wekelijks.

De laatste jaren kwam Van Dantzig vooral in het nieuws als voorzitter van RAAK, de Reflectie- en Actiegroep Aanpak Kindermishandeling. Nadat hij onderzoek onder ogen had gekregen waaruit bleek dat in Nederland jaarlijks vijftig- tot tachtigduizend kinderen ernstig worden mishandeld, en dat vijftig tot tachtig van hen overlijden, probeerde hij dit onderwerp hoog op de politieke agenda te krijgen. Van Dantzig zag kindermishandeling als een duidelijk voorbeeld van een terrein waarop de overheid tekortschoot als het ging om geestelijke gezondheidszorg. Hij pleitte voor opvoedles voor ouders en een uitgebreide taak voor consultatiebureaus. Dat sloot aan bij zijn andere ideeën om de geestelijke gezondheidszorg een duidelijker plaats te geven: een goede beschikbaarheid van psychische hulpverleners vergelijkbaar met huisartsen, en lessen gesprekstechniek en empathie op school. Als mensen hem van dwang en drang beschuldigden, deed hij dat af als ,,gezeik'', en benadrukte hij dat vroeger seksuele voorlichting ook ondenkbaar was. In 2004 ontving Van Dantzig de Clara Meijer-Wichmann Penning wegens zijn verdiensten in de strijd tegen de kindermishandeling; in 1998 de ereprijs van het Nationaal Fonds Geestelijke Volksgezondheid voor zijn verdiensten voor de GGZ in het algemeen.

Naast zijn lobbywerk publiceerde Van Dantzig essays over allerlei psychologische onderwerpen – rouw, stervensbegeleiding, euthanasie, vluchtelingenzorg, telefonische hulpverlening. Hij was overtuigd atheïst en schreef vorig jaar bijvoorbeeld in Trouw dat gelovigen zich rekenschap zouden moeten geven ,,van het vele aardse lijden dat hun opvattingen hebben veroorzaakt en nog steeds veroorzaken. Als zij dat doen wens ik hun een goed geloof toe''. Een van zijn bekendste boeken is Normaal is niet gewoon (1974); daarnaast schreef hij graag en veel over film.

Bang voor de dood was hij niet. Mensen die doodsangst kennen, schreef hij in 2001 in een brief in deze krant, hebben vaak hun hele leven een angstig achtergrondgevoel. ,,Die angst is dan ook toegankelijk voor therapie. [...] Ik vond het altijd jammer dat het tot het doodsbed moest wachten tot dit kon gebeuren, maar dat is nu eenmaal de stand van de geestelijke gezondheidszorg in Nederland.''