`Ze stuurden een incassobureau'

Honderden Amerikaanse militairen die gewond terugkeren uit Irak worden na hun herstel achtervolgd door het leger – om schulden af te betalen. Het relaas van soldaat Robert Loria.

Door de telefoon klonk hij afhoudend, soms verward. Maar op de parkeerplaats van de hogeschool in Middletown, honderden kilometers ten noorden van New York, komt Robert Loria (28) het bezoek met jongensachtige bravoure tegemoet. Gauw gespt hij zijn autoriem los, met zwier gooit hij zijn portier open. ,,Goed dat je er bent, vriend.''

Als hij zich uit zijn auto werkt, komt onder de linkermouw van zijn T-shirt zijn litteken tevoorschijn: boven zijn pols is alleen een stompje over. Hij loopt slepend – ook zijn linkerbeen is onherstelbaar beschadigd tijdens zijn tijd als militair in Irak. Er zijn dagen dat hij de somberte niet kan verslaan, vertelt hij, maar vandaag is alles in orde. .,,Ik weet dat er een toekomst is voor mij.''

Een klein jaar terug scheelde het weinig of het licht was definitief bij hem uitgegaan. Alleen omdat zijn echtgenote een scène schopte – ze schakelde de media in en spande senator Hillary Clinton voor zijn karretje – nam zijn leven een keer ten goede.

Loria, beroepsmilitair sinds zijn 22ste, liep begin vorig jaar in Zuid-Irak in een val. Een generaal uit het milieu van de Iraakse leider Saddam Hussein verschool zich volgens een valse melding in een huis nabij de legerplaats. Loria, combat engineer met een specialisme voor explosieven, kwam net aan op de onheilsplek toen een collega zwaar gewond raakte door Iraaks vuur. Hij zette zich als een speer achter het stuur van een legertruck om de collega te redden. Net toen hij wegreed werd het vuur voor een tweede maal geopend. De granaatscherven raakten hem van top tot teen. ,,Alsof ik op een spijkerbed werd gedrukt.'' Zijn laatste beeld in Irak was de trouwring die van zijn bebloede vinger werd gehaald. Hij gilde, hij was, zegt Loria, laaiend. ,,Ik flipte.'' Zeven dagen later ontwaakte hij – in een ziekenhuis in Washington.

Hij zou er viereneenhalve maand blijven. Bijna alles moest hij opnieuw leren. ,,Lopen, zitten, staan, douchen, eten, autorijden.'' Zijn vrouw, die bij hem sliep, zei dat hij haar in zijn slaap soms in elkaar timmerde. Zelf merkte hij er niks van. Hij ging in psychotherapie. Zomer vorig jaar was hij rijp voor een leven buiten het ziekenhuis. De therapie hield hij aan. Na een tijdje kon hij de medicijnen laten staan en verdween de gewelddadigheid uit zijn lichaam. De eerste fragiele tekenen van herstel waren er.

Toen kwam de schok. Het ministerie van Defensie, zijn werkgever, begon rekeningen te sturen. In een paar maanden werd hij aangeslagen voor ruim 6.200 dollar; meer dan een kwart van zijn netto jaarsalaris (zie inzet). Loria vertelt nu dat het niet zo tot hem doordrong. Totdat de rekeningen kwamen was hij zich van geen schulden bewust geweest. Hij had al zijn geld opgemaakt. Terugbetalen zat er niet in. Maar het ministerie gaf niet op. ,,Ze stuurden een incassobureau op me af.'' Eind van het liedje was dat Defensie zijn salaris stopzette.

En toen hij december vorig jaar niet meer de benzine kon betalen om naar zijn ouders te rijden voor Kerstmis – hij was in Texas gelegerd – kwam hij in de diepste inzinking terecht die hij ooit heeft meegemaakt. It blew my mind, zegt Robert Loria – hij was er kapot van.

Hij had zich al neergelegd bij een kerst met een paar legermaten in Texas, toen zijn vrouw, Christine, die met haar kinderen op duizenden kilometers thuis in Middletown (New York) verbleef, besloot het onrecht van haar man aan de grote klok te hangen. Robert Loria: ,,Soldaten doen dat niet graag, dan geven ze hun trots weg.'' Maar Christine overreedde haar man – en een paar dagen later stond zijn verhaal in de regionale Times Herald-Record. Nog een paar dagen later trok senator Hillary Clinton bij minister van Defensie Donald Rumsfeld aan de bel in de Senaat. Een betreurenswaardige opeenstapeling van misverstanden had tot dit incident geleid, zei het ministerie. Verouderde computersystemen en een te ijverige ambtenaar hadden dit doen ontstaan. Meteen schold het ministerie Loria zijn schulden kwijt.

Inmiddels gaat het Loria niet slecht, vertelt hij na college op de hogeschool. Hij wil een bar beginnen en moet nog een paar jaar les volgen. Een stabiel leven is moeilijk, de oorlog laat hem niet los. Hij heeft geen nachtmerries meer, wel flashbacks: gewonde kindertjes in ziekenhuizen; lijken sorteren; die dingen. ,,Het was geen uitje.''

Achterop zijn auto zit een sticker die populair is bij conservatieven: een gele strik met We support our troops. Loria staat achter de jongens daar, legt hij uit, niet achter de oorlog. Allang niet meer. De massavernietigingswapens zijn niet gevonden, Saddam is weg, negentig procent van de lokale bevolking wil dat de Amerikanen vertrekken, zegt hij. ,,Het is hun land, het is hun probleem. Wat moeten wij daar nog?''

De dagen dat Loria moeite heeft met zijn leven, komen altijd onaangekondigd. Een maand geleden bracht een rapport van de Amerikaanse Rekenkamer aan het licht dat zijn geval geen incident is, zoals het Pentagon eerder zei. Zeker 300 gewonde soldaten in Irak, en waarschijnlijk veel meer, hebben dezelfde ervaringen gehad, aldus de Rekenkamer na een eerste statistische analyse van bestanden van het Pentagon.

Naar de soldaten achter de cijfers zoekt het instituut nog, zegt Jeremy Chwat van het Wounded Warriors project voor Irak-veteranen. Chwat stond eerder Loria bij en helpt nu de Rekenkamer bij het vinden van de andere slachtoffers. Hij heeft inmiddels zes gevallen gevonden. Maar de ware omvang van het probleem zal nooit bekend worden, denkt hij. Soldaten blijven beducht om ermee voor de dag te komen. Loria: ,,Dan geven ze toe: we hebben ons leven in de waagschaal gesteld voor een werkgever die ons daarna in de steek heeft gelaten.''