Opstand, zonder dat iemand weet waartegen

In Frankrijk wordt wanhopig gezocht naar de vraag wat de relschoppers willen. De situatie is niet vergelijkbaar met `1968'.

Dit zijn geen rellen, het is een opstand, verklaarde de Franse minister van Justitie Clément gisteren, nadat relschoppers in Grigny voor het eerst op de hals van agenten hadden gemikt – en raakgeschoten, met hagel.

Maar een opstand van wie precies, en uit welke naam? Terwijl over de grens inmiddels de definitieve mislukking is vastgesteld van het Frans-republikeinse model om immigranten te integreren, zijn de Fransen zelf volop in vertwijfeling over de ware aard van de rellen die nu twaalf nachten duren. Want oproer moge er vaker zijn in armoedige Franse buitenwijken met hun vele gemarginaliseerde, werkloze en gediscrimineerde inwoners, deze rellen duren veel langer dan het ernstige precedent, drie nachten oproer in Lyon in 1990 – en spreiden zich ook meer uit dan tevoren.

Bijna niemand neemt nog aan dat dit nog steeds alleen woede is over de politie, ook al staat zij elke dag opnieuw tegenover relschoppers zonder de zekerheid van een bewijs dat hun collega's níet schuldig zijn aan de dood van twee jongens in Clichy-sous-Bois. Dat incident bracht nu bijna twee weken geleden de rellen op gang, het onderzoek naar de toedracht is nog gaande.

Ondertussen is het zoeken naar verderreikende verklaringen. Sommigen, zoals ook premier Villepin gisteravond, zien de hand van georganiseerde criminelen in de rellen. Maar de premier sloot zich in één moeite door ook aan bij suggesties van anderen, die vooral een schreeuw van sociale misère horen, of in de verspreiding van de rellen een race om aandacht zien, een wedstrijd relschoppen van bandeloze jongeren met gevoel voor na-aperij.

Weer anderen menen dat vooral gebruskeerde islamitische jeugd in opstand is. Die `religieuze' verklaring noemde Villepin gisteren ,,niet essentieel'', al maakt de regering zich zorgen over invloed van radicaal `islamisme' in de voorsteden, aldus de premier.

Probleem is dat geen van de verklaringen zich vooralsnog opdringt door het verloop van de rellen zelf. Ze duren voort zonder dat er een woordvoerder onder de relschoppers is opgestaan. Als er al sprake is van een echte opstand, onbreekt het aan politieke organisatie en richting. Op straat zijn elke dag – vaak naamloze – jongeren te vinden die een algehele frustratie over de samenleving formuleren met onverholen onmacht: ,,Wij kunnen alleen maar auto's verbranden.'' Maar het is geen 1968: de relschoppers rukken niet op naar de centra van de macht, en ze bezetten geen strategische bastions, zoals de scholen die voor velen van hen niet leiden tot werk of succes, of bedrijven waardoor ze zich afgewezen voelen. Ze veroveren niets, hebben geen concrete eisen of voorstellen – ze maken `alleen maar' stuk wat ze te pakken kunnen krijgen. Daartegenover staat de Franse overheid die, op haar manier, ook een onmachtige indruk maakt.

De dagelijkse oproepen tot kalmte van nationale politici in Frankrijk blijken steevast vergeefs. President Chirac werd dagenlang gevraagd zijn gezag als staatshoofd te doen gelden met een directe uitspraak over de rellen. Nadat hij aan het einde van dit weekeinde de stilte ten slotte had verbroken, bereikten de gewelddadigheden in de volgende nacht een nieuw hoogtepunt.

De machteloosheid van de overheid is ook geen kwestie van één kant van het politieke spectrum. De socialisten en communisten die in de meeste getroffen voorsteden regeren hebben niet méér matigende invloed op hun bevolking dan aanhangers van de minister van Binnenlandse Zaken Sarkozy. In sommige steden zijn inmiddels burgerwachten actief om bezittingen en gebouwen te beschermen. Villepin begroette die ,,republikeinse opleving'' gisteren, ,,zolang ze zich voltrekt in een geest van opvoeding en dialoog''.

Ondertussen groeien de zorgen in Frankrijk over een sfeer van destabilisatie van het publieke gezag. Enerzijds klinkt er lof voor imams en islamitische organisaties die oproepen tot rust in de voorsteden. De grootste moslimorganisatie UOIF vaardigde gisteren een fatwa uit tegen het gebruik van geweld door moslims. Voor sommigen laat de organisatie daarmee zien dat de islam een integrerende kracht is in Frankrijk. Het is nu eenmaal een gegeven, volgens deze redenering, dat de meerderheid van de bevolking in veel kansarme steden regelmatig de moskee bezoekt. Villepin overlegde dit weekeinde een uur lang met voorzitter Boubakeur van de Franse moslimraad op het Matignon.

Maar volgens anderen kunnen de religieuze leiders zo demonsteren dat zij wél greep hebben op de jongeren in de voorsteden, waar de overheid faalt. Die rol botst in de streng geseculariseerde Franse republiek met de strikte opvatting over scheiding tussen de publieke orde en het privédomein, waar religie volgens het Franse model thuishoort. Geopperd wordt nu dat moslimorganisaties na afloop van de crisis een `beloning' zullen vragen voor hun pacificerende optreden, die deze traditionele rolverdeling doorbreekt. Daar komt bij dat imams in sommige voorsteden, zoals in de stad Mantes-la-Jolie ten westen van Parijs, zichzelf de afgelopen dagen al vredestichtend nadrukkelijk presenteren als alternatief voor de politie, die juist een provocerende werking heeft op de jongeren.

Dergelijke ideeën verklaren mede waarom autoriteiten steeds met grote nadruk verklaren dat de staat van nature ,,sterker zal zijn'' dan de onrustzaaiers, zoals president Chirac het formuleerde. Voordat de overheid de aandacht weer kan richten op de problemen in de voorsteden, sociaal-economisch of cultureel, moet zij eerst bewijzen dat zij daar hoe dan ook nog gezag heeft.

Een groot risico voor de regering vormt de kans op een uitglijder door de vaak jonge en onervaren politiekrachten in de voorsteden, die nu tot het uiterste op de proef worden gesteld. Villepin prees gisteren nog maar eens hun ,,koelbloedigheid''. ,,Dat we tot op dit moment een nieuwe catastrofe hebben kunnen voorkomen, komt doordat zij beheerst optreden.''

Minister van Binnenlandse Zaken Sarkozy is dagelijks op bezoek in politiekazernes om politie en brandweer een hart onder de riem te steken – en ook steeds maar weer te herhalen dat zij de ,,beheerste macht'' vormen, die moet handelen ,,in het belang van de bevolking, en niet tegen haar''.

Sarkozy speelt in meerdere opzichten een hoofdrol dezer dagen. Als uitglijders van hem of van politiekrachten niet een onmiddellijke crisis veroorzaken, kunnen deze rellen ook achteraf een beslissend moment blijken voor de carrière van Frankrijks meest populaire minister, die in 2007 wil meedingen naar het presidentschap. Onder jongeren in de voorsteden is het de laatste week een gevleugeld woord geworden dat de rellen zullen doorgaan tot Sarkozy is afgetreden of excuses aanbiedt voor het gebruik van termen als ,,tuig'' en ,,bandieten''. Kleinere oppositiepartijen als de Groenen en de communistische PCF roepen om zijn vertrek wegens zijn vermeend stigmatiserende optreden. In de regering slaat Sarkozy's rivaal Villepin, zonder expliciet de polemiek te zoeken, nadrukkelijk een andere toon aan. Gevraagd of de relschoppers ,,bandieten'' zijn, zoals Sarkozy zegt, antwoordde Villepin gisteren met een waarschuwing tegen ,,stigmatiserend taalgebruik''.

Sarkozy zelf blijft stijlvast. ,,Wie een bus in brand steekt en een gehandicapte vrouw met benzine overgiet, is een crimineel'', zei hij gisteren nog eens nadrukkelijk voor de televisiecamera`s. Als de rellen zijn gaan liggen, zal blijken of de steun voor die duidelijke opstelling onder de stille meerderheid der Fransen nog is toegenomen.