Kerk en staat hebben beide grenzen nodig

Wim Klever laat zien dat hij niet veel begrepen heeft van de scheiding tussen kerk en staat. Deze scheiding houdt in dat kerk en staat beide begrensd worden, omdat zij dat beide nodig hebben. Een kerk mag haar eigen zaken regelen, mits zij geen dingen doet die volgens de burgerlijke wet verboden zijn. Zo is het haar toegestaan om zelf te bepalen wie zij toelaat tot de eucharistieviering of om een predikant die gelooft in reïncarnatie uit het ambt te zetten. Bij een staatskerk bepaalt de overheid of dat mag. De scheiding tussen kerk en staat is daarom gunstig voor een samenleving. Het verhindert dat de overheid de sterke arm wordt van de kerk, maar het verhindert evenzeer dat de overheid verlosserspretenties krijgt. Waartoe een `onverdeeld, autonoom en absoluut' overheidsgezag in staat kan zijn, hebben we al in verlichte tijden mogen aanschouwen.

De kwestie van het bijzonder onderwijs heeft hiermee niets te maken. Bijzondere scholen zijn geen kerken en zij gaan niet uit van kerken. Zij vergroten de keuzemogelijkheden van burgers en voorkomen dat juist de meer radicalen onder hen zich terugtrekken in het schimmige circuit van privéscholen en thuisonderwijs. Het voortdurende gehak van seculieren op het bijzonder onderwijs is daarom niet alleen dom en fantasieloos. Het heeft gevaarlijke trekjes, omdat het één van de laatste buffers probeert te verwijderen tussen de burger en een steeds almachtiger wordende staat.