Ajax

Waarom schrijf je nooit meer over Ajax, vroegen sommige lezers me (toegegeven, daar waren weinig vrouwen bij). Het antwoord is even hard als simpel: omdat ik er nauwelijks meer heenga. Mijn seizoenkaart heb ik niet verlengd, ik bezit alleen nog een supporterskaart waarmee je, als er nog plaats is, per wedstrijd een kaart kunt kopen.

Waarom? Ach, er is een tijd van komen en niet meer gaan. Geduld raakt uitgeput, de liefde kan niet altijd van één kant komen. Vijf seizoenen lang had ik Ajax op de voet gevolgd, en daarvan was hooguit één seizoen – de beginperiode onder Ronald Koeman – interessant. Doorgaans liet Ajax lusteloos, middelmatig spel zien. Ik verveelde me. Het feit ging zich wreken dat ik in de eerste plaats een voetballiefhebber ben, geen Ajax-supporter.

Hoewel ik altijd een zwak voor Ajax heb gehad, voelde ik nu zelfs een zekere antipathie in mijn voetbalhart groeien. Het ergerde me steeds meer, en ik heb het dan ook vaak beschreven: de pretenties, de verafgoding van het verleden, de geheimzinnigheid rond het beleid, de minachting voor het publiek dat te vroeg van favoriete spelers als Ibrahimovic werd beroofd.

Gisteren kopte de Amsterdamse krant Het Parool wanhopig: ,,Record Ajax: slechter dan ooit.'' In zijn 105-jarige bestaan heeft Ajax nooit eerder in vier achtereenvolgende competitiewedstrijden géén doelpunt gemaakt. Na elf wedstrijden heeft Ajax nu maar drie winstpunten meer dan Heracles uit Almelo.

Ajax maakt niet zomaar een periode van tijdelijke neergang door, het is een malaise die zich al jaren geleden aankondigde. De crisis op het veld is een weerspiegeling van de crisis in de top. Wat daar aan de hand is, blijft aan het oog onttrokken, afgezien van een schaarse opmerking in De Telegraaf over ,,elkaar bevechtende clans''.

Ook dat is typerend voor Ajax: het is voor een journalist gemakkelijker in de top van Al-Qaeda door te dringen dan in die van Ajax. Trainers en directeuren worden ontslagen, bestuursleden gaan heen, de heilige Cruijff heeft zijn invloed – maar hoe het precies zit, weet niemand buiten dat groepje mensen die elkaar de club uitvechten.

Dat alles heeft geresulteerd in een ronduit desastreus inkoopbeleid van spelers. Ik heb in die vijf jaar een half dozijn nieuwe, dure spitsen voorbij zien komen, en ze konden geen van allen voetballen. Vooral voor ondermaatse Grieken heeft Ajax een mysterieuze voorkeur. Toen ik de nieuwste vondst, de brave Charisteas, verweesd zag rondhuppelen, brak er iets in me. Moest ik nu wéér enkele seizoenen dit menselijk leed van nabij aanschouwen?

In maart 2004 liet ik in deze rubriek een supporter aan het woord die Ajax al meer dan dertig jaar volgde. ,,Ajax koopt te veel mensen die het niet hebben'', wees hij tijdens een training. ,,Soetaers, Anastasiou, Sikora, Sonck, Escudé, die halen het nooit. Aardige spelers voor een provincieclub, meer niet.'' Hij kreeg gelijk; een eenvoudige supporter bleek méér voetbalverstand te hebben dan al die duurbetaalde professionals bij elkaar.

Het Ajax van vroeger speelt nu in Eindhoven en Alkmaar. Ik slik – en leef verder.