Terrorismebestrijding en het publieke debat

Minister Donner probeert ons gerust te stellen met zijn uitspraak dat de nieuwe wet tegen apologie (het verheerlijken van terrorisme) ,,alleen personen treft die met hun uitlatingen doelbewust een gevaar vormen voor de openbare orde'' (NRC Handelsblad, 26 oktober). Hij moet dat wel doen, want anders komt hij in conflict met het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. De vraag blijft of nieuwe wetgeving wel nodig is om de openbare orde te kunnen handhaven. Afgezien daarvan vind ik vooral de motivatie van de regering voor deze nieuwe wet verontrustend.

De oorsprong daarvan is te vinden in de spanningen na de moord op Van Gogh, nu een jaar geleden, en met name de angst van de regering voor het uit de hand lopen van het maatschappelijk debat. In de Memorie van Toelichting op het wetsontwerp schrijft Donner: ,,De inzet van het strafrecht is sluitstuk van het zelfreinigende vermogen in de samenleving om het publieke debat op orde en binnen aanvaardbare perken te houden.'' Dit betekent dat volgens deze regering de staat zich uiteindelijk met repressiemiddelen moet kunnen mengen in het publieke debat om daar de `orde' te bewaren en te bepalen wat ,,aanvaardbare perken'' zijn.

Dit gaat toch veel te ver. Dat de regering een tegengeluid laat horen als men meent dat een maatschappelijk debat ontspoort, oké. Maar de politie er op af sturen? We moeten wel heel ver teruggaan in de geschiedenis voor zo'n opvatting over van de rol van de staat.