Soepel pitbullbot vecht beter dan stijf windhondbot

Renhonden hebben een heel andere botopbouw dan vechthonden. Dat blijkt uit vergelijkende tests van Amerikaanse biologen van de University of Utah in Salt Lake City. Zij vroegen zich af of de opgelegde selectiedruk door mensen de botstructuur bij hondenrassen hebben beïnvloed. Ze vergeleken verse beenderen van de gedrongen pitbulls, gefokt voor vechtvaardigheid, met die van windhonden die puur op snelheid zijn gefokt. De normen waren vervorming en zijdelingse druk die de botten van de ledematen – oppermbeen, spaakbeen, dijbeen en scheenbeen – kunnen weerstaan (Journal of Experimental Biology, 15 sept). De windhondbotten zijn gemiddeld twee maal zo stijf als pitbullbotten. Ze weerstaan meer druk voor ze buigen en vervormen, maar breken eerder. Pitbullbotten geven juist veel mee, voordat ze hun breekpunt bereiken absorberen ze tot tweeënhalf keer zoveel energie als het doorsnee-windhondbot.

De buigzaamheid komt de pitbull bij een vechtpartij van pas, en zeker in de confrontatie met zware stieren – het door de mens opgedrongen culturele erfgoed van pitbulls. De windhond profiteert juist weer van zijn stijve ophanging, als die van een volbloed sportwagen. De windhondledematen knappen makkelijker, maar kunnen dankzij hun stijfheid, efficiënter en zonder veel energieverlies spierkrachten overbrengen. Dat is niet alleen van belang voor het bereiken van snelheid, maar ook voor het economisch in stand houden daarvan. Windhondbotten zijn afgeplat, met de grootste doorsnee in het loopvlak, waar ook de grootste krachten te verwachten zijn. Het pitbullbot, met een rondere vorm, is berekend op krachten van alle kanten. Dat is één bron van verschil in gevoeligheid voor zijdelingse druk. Maar de botopbouw op microniveau speelt vermoedelijk ook een rol. Na veel vergelijkend botten breken, menen de onderzoekers dat de scheiding tussen rennen en vechten ook voor allerlei diersoorten een ruil tussen stijfheid en stevigheid opgeleverd.