Schaatsstrijd?

Bij selectiewedstrijden voor de wereldbeker afgelopen week bleek de concurrentie tussen Nederlandse schaatsers moordend. Is dat, gelet op de Olympische Winterspelen in februari, nadelig?

Jos de Koning, bewegingswetenschapper: ,,Er is afgelopen week in Nederland hard gereden, maar dat was ook het geval bij de Amerikaanse kwalificatiewedstrijden. Vroeg pieken in een olympisch seizoen hoeft geen probleem te zijn. Door geperiodiseerde trainingsprogramma's wordt het lijf van de schaatsers niet continu belast. Ze kunnen één keer in de zes weken pieken. Lag het selectiemoment dicht bij de Winterspelen, dan was het een ander verhaal. Maar het olympisch kwalificatietoernooi voor de Nederlanders (eind december, red.) is een week of zes voor de Spelen. Dat is vroeg genoeg om te kunnen pieken. Bovendien zijn de schaatsers al sinds mei bezig met de voorbereiding op dit seizoen en zijn ze er aan toe om lekker te knallen. Er zijn schaatsers die lang in topvorm kunnen zijn en schaatsers die preciezer moeten werken. Een algemeen recept is er niet. Voor Van Velde (olympisch kampioen 2002 op 1.000 meter, red.) is het een teleurstelling dat hij niet volwaardig kan meedoen aan wereldbekerwedstrijden. Maar als hij buiten mededinging meerijdt, ziet hij ook waar hij internationaal staat.''

Ab Krook, topsportcoördinator Nederlandse schaatsbond: ,,Een heel goede ontwikkeling dat er een nieuwe lichting is bijgekomen. Nederland is in de breedte sterker geworden. Maar de Amerikanen en de Noren zijn ook beter geworden. Op de lange afstanden is het niet meer vanzelfsprekend dat een Nederlander kampioen wordt. Dit seizoen hebben we de absolute toppers die vorig seizoen bij de topdrie bij de wereldbeker of de wereldkampioenschappen eindigden – zoals Wennemars, Tuitert en op de lange afstanden Verheijen en De Jong – vrijgesteld van selectiewedstrijden. Zij hebben een rustiger voorbereiding op de Winterspelen. En genomineerde schaatsers die zich hebben geplaatst voor de wereldbeker, mogen naar eigen inzicht bepalen aan welke wedstrijden ze meedoen. Doordat de prestatiedichtheid in Nederland groter is geworden, bestaat de kans dat gearriveerde rijders als Van Velde of Nijenhuis (beiden niet geplaatst voor wereldbeker op de 1.000 meter, red.) zich niet kwalificeren. Ik zie hen graag bij de Spelen en ze kunnen er weer staan bij het olympisch kwalificatietoernooi. Maar als ze daar niet hard genoeg rijden, dan moet de jonge lichting het maar waarmaken.''

Yep kramer, tweede bij EK allround 1983, vader van Nederlands kampioen allround Sven Kramer: ,,In mijn tijd (zonder commerciële schaatsploegen, red.) hoefde je alleen rekening te houden met de jongens uit de kernploeg en maakten vier of vijf rijders de dienst uit op de lange afstanden. Je had ook minder wedstrijden. Dat gaf rust in de voorbereiding op de Spelen. Door de toegenomen concurrentie hebben de Nederlandse toppers nu een minder rustige voorbereiding. Vooral op de 5.000 meter zijn de verschillen klein en is het moeilijk je te plaatsen. De selectiewedstrijden, wereldbeker en het olympisch kwalificatietoernooi vergen veel van de rijders. Voor de jongens die nu doorbreken is het gunstig. Maar het risico bestaat dat de mensen die zich er nu bij rijden, niet veel beter zullen worden. Die rijden er bovendien misschien een topper uit die in de voorbereiding nog niet op zijn best was en daardoor de Spelen mist. Voor Van Velde bijvoorbeeld is het een nadeel dat hij de competitie met buitenlanders in de wereldbeker mist.''

Henk Gemser, oud-bondscoach Nederlandse kernploeg, bestuurslid (topsport) sportkoepel NOC*NSF: ,,Je kunt soms ten onder gaan aan je eigen succes. Ruimte voor een rustige voorbereiding is er niet. Sommige schaatsers hebben meer tijd nodig om op topniveau te komen. Voor hen is het moeilijk al op 1 november de schaatsen te slijpen en scherpe tijden te rijden. Dat de gevestigde top uit de wind wordt gehouden, is goed. De grote concurrentie bij de selectiewedstrijden afgelopen week was goed voor het entertainment. De doorbraak van jonge rijders heeft voor- en nadelen met het oog op plaatsing voor de Spelen. Enerzijds hebben ze gebrek aan ervaring op grote toernooien, maar anderzijds kan hun `naïviteit' en gretigheid een voordeel zijn.''