Omdat het meisjes zijn

Annemarie van Langen – unequal participation in mathematics and science education – 183 blz, its. radboud universiteit nijmegen, 1 november 2005. promotores: prof.dr. h.p.j.m. dekkers, prof.dr. r. bosker

`Kies exact' was de titel van een campagne om meer meisjes bèta te laten kiezen. Het heeft niet echt geholpen. Integendeel eigenlijk, sinds de invoering van de nieuwe tweede-fasestructuur in havo en vwo kiezen minder meisjes dan ooit exact. Van de twee profielen met een duidelijk bètakarakter wordt `natuur en techniek', het meest uitgesproken exacte profiel, zowel op de havo als op het vwo nauwelijks door meisjes gekozen (minder dan 5% van de eindexamenkandidaten), het profiel `natuur en gezondheid' trekt op het vwo bijna een derde van de meisjes en op de havo een zesde. De alfa/gamma profielen zijn bij meisjes veel meer in trek. Bij jongens is de verdeling wat gelijkmatiger. `Natuur en techniek' is de keuze van bijna 30% van de jongens op het vwo, terwijl net iets meer dan 20% voor `natuur en gezondheid' kiest. Op de havo liggen de cijfers voor beide profielen duidelijk wat lager, 60% van de jongens heeft ook daar voor een `cultuur en maatschappij' of vooral – bijna de helft – voor een `economie en maatschappij' profiel gekozen.

Vergeleken met de situatie voor de invoering van de tweede fase in 1998 lijkt er geen sprake van een geringere belangstelling voor de bètavakken, maar dat komt door de grote populariteit van het profiel `natuur en gezondheid', dat vwo-leerlingen ook entree geeft tot de opleidingen geneeskunde. De belangstelling voor de, zoals dat genoemd wordt, harde bètavakken is echt klein te noemen. Van de bijna 23.000 eindexamenkandidaten voor het vwo in 2002 gingen er 3300 op voor het profiel `natuur en techniek'. Niet meer dan 500 van hen waren meisjes, die toch bijna 60% van alle eindexamenkandidaten uitmaken. Misschien lijkt 3300 nog veel, maar een groot deel van hen – bij de meisjes zelfs meer dan de helft – kiest op de universiteit toch niet voor een exacte of technische studierichting.

Daar staat tegenover dat ongeveer een op de drie jongens uit het profiel `natuur en gezondheid' dat wel doet. Bij de meisjes is dat weer een op de zes.

Annemarie van Langen probeert in haar proefschrift vast te stelen welke factoren nu bepalend zijn voor de geringe belangstelling van meisjes voor bètavakken. Vaak wordt gedacht, dat het toch een verschil in aanleg is. Simpel gezegd, jongens zijn beter in rekenen en knutselen graag aan motoren, meisjes zijn beter in talen en doen graag iets met mensen. Wat daar ook van waar is – en er is zeker heel wat van waar – , het verklaart absoluut niet waarom de sekseverschillen in keuze voor bèta van land tot land zo variëren. Zo hebben landen als Nederland (12%), Zwitserland, Oostenrijk en Engeland heel lage percentages vrouwelijke studenten in de technische studierichtingen, maar Spanje, Italië en Tsjechië komen toch op percentages die tegen de dertig lopen. In een land als Polen worden wiskunde en de natuurwetenschappen zelfs in meerderheid door vrouwen als studierichting gekozen. Nederland blijkt in de exacte vakken, de natuurwetenschappen en de techniek een echte hekkensluiter te zijn als het om de deelname door vrouwen gaat. Alleen Zwitserland scoort nog wat lager.

De genetische verklaring voor het verschil voldoet dus niet. Wat dan wel? Annemarie van Langen analyseert grote databestanden, nationaal en internationaal, op alle mogelijke variabelen, maar komt voor Nederland toch steeds weer uit op sekse, al is het dan zonder suggestie van een aangeboren verschil. Ook als het verschil sociaal bepaald is, blijft toch staan dat meisjes heel anders kiezen dan jongens en dat geldt zelfs voor hun motivatie om eventueel wel de exacte richting op te gaan. Jongens doen dat omdat ze het leuk vinden (al zullen ze dat vaak niet ronduit zeggen, want dan word je al snel een nerd gevonden) en meisjes omdat ze het voor een bepaalde studiekeuze of beroepsperspectief nodig hebben. Uit de analyse komt wel naar voren dat er duidelijk ook factoren van sociale aard een rol spelen. Dochters van laag opgeleide ouders kiezen, ook als ze goed zijn in wiskunde, minder snel voor een natuurwetenschappelijk profiel en hetzelfde geldt voor meisjes op scholen waar de advisering over de vakkenkeuze een rol speelt in de rapportvergadering. Aan de andere kant blijken scholen die hun best doen om meisjes meer exact te laten kiezen, daar ook redelijk succesvol in te zijn.

De oriëntatie op de bètavakken wordt al vrij vroeg op de middelbare school in meer positieve of juist negatieve richting bepaald en minder dan in veel andere landen is het in Nederland nog mogelijk in de tweede fase van profiel te wisselen. Dat is echt een verandering ten opzichte van de situatie tot 1998. Anders dan in een land als Zweden zijn er in Nederland ook maar beperkt mogelijkheden om na de middelbare school bètatekorten nog zo bij te spijkeren, dat een universitaire studie in die richting alsnog mogelijk wordt. Tegelijkertijd wordt door universitaire docenten geconstateerd dat die tekorten er in veel gevallen zijn en tot hoge percentages uitvallers in het eerste jaar aan een universiteit of hogeschool leiden.

Vaak kijken we in Nederland naar de Verenigde Staten als het land waar de waardering voor bèta en techniek zoveel groter is als in Nederland. Dat is misschien wel zo, maar het blijkt niet uit de cijfers. Wel is het aandeel vrouwen in de technische en exacte studierichtingen groter dan in Nederland, maar dat is dan toch vooral het gevolg van de naar verhouding opvallend geringe belangstelling van mannen voor deze vakken. De Verenigde Staten importeren op grote schaal afgestudeerden in deze vakken, maar op eigen kracht produceren ze er opvallend weinig. Vooral in zeer welvarende landen met een grote dienstverlenende sector blijkt de aantrekkingskracht van bèta niet groot te zijn. Ook bètatalenten kiezen al te vaak niet voor bètastudierichtingen, omdat ze die te eenzijdig en te specialistisch vinden. Bètatalenten zijn vaak ook heel goed in de alfa-en gammadisciplines en die vinden ze vaak leuker. Kortom, het is niet alleen zo dat meisjes niet `exact' kiezen – de meeste jongens trouwens ook niet – , maar ook de `exacten' kiezen vaak liever voor iets `zachters' .