Nieuwe ontdekkingen uit Russische avant-garde kunst

Europa, dat is `het gebied waar gotische kathedralen zijn gebouwd', beweerde de vroegere Duitse bondskanselier Helmut Kohl. Dan valt Rusland dus buiten Europa; de gotiek ging helemaal aan het land voorbij. Maar op de hoofdtentoonstelling van de twintigste Europalia in Brussel, het tweejaarlijkse festival dat nu is gewijd aan Rusland, is weer te zien hoe benauwd Kohls definitie van Europa was. De honderden schilderijen, beelden, affiches, constructies, films en gebouwen op de tentoonstelling `Avant-garde in Rusland 1900-1935' in het Paleis voor Schone Kunsten in Brussel tonen de nauwe band met de toenmalige ontwikkelingen in de Europese kunst. Kunstenaars als Malevitsj, Tatlin en Lissitzky hebben ook grote invloed gehad op de ontwikkeling van het Europese modernisme. Zonder het Russische constructivisme was het Duitse Bauhaus niet geworden wat het was.

Wie denkt dat na `De Grote Utopie' in Amsterdam (1992) en andere tentoonstellingen over de Russische avant-garde in West-Europa geen verrassingen meer mogelijk zijn, heeft het mis. De musea in Rusland en andere ex-Sovjetstaten lijken te beschikken over een onuitputtelijke voorraad avant-garde kunst, zodat nu in Brussel toch weer veel kunstwerken hangen en staan die niet eerder in West-Europa te zien zijn geweest.

Heel precies en vooral heel mooi laat de Europalia-tentoonstelling zien hoe de Russische avant-garde reageerde op wat er in de rest van Europa gebeurde. Zo was de schilder Kazimir Malevitsj omstreeks 1910 goed op de hoogte van wat futuristen in Italië en kubisten in Frankrijk deden en smeedde hij beide `ismes' aaneen tot zijn eigen `kubofuturisme'. Je zou kunnen zeggen dat het een vroege uiting van mondialisering was. En zoals globalisering nu hoofdzakelijk twee reacties oproept – vreugde over de onstuitbare modernisering en internationalisering en treurnis om de teloorgang van nationale en regionale tradities – zo verwelkomden de Russische avant-gardisten niet alleen de nieuwe internationale `ismes', maar gingen ze ook hun eigen nationale kunst koesteren. `Neoprimitivisten' als het echtpaar Natalja Gontsjarova en Michail Larionov grepen in hun werk terug op de traditionele boerenkunst. In Brussel staan enkele prachtige laat-achttiende-eeuwse kandelaren en rijk versierde spinstoelen die duidelijk maken waarom de neoprimitivisten hier een superieure, zuivere vorm van kunst in zagen.

Een van de bijzonderheden van de vroege Russische avant-gardistische werken is dat ze de uiteenlopende reacties op de globalisering in zich verenigden. Zo is de maaier uit Malevitsj' gelijknamige schilderij uit 1912 een ouderwetse, ongemechaniseerde boer, compleet met baard en zeis, maar wel met een hoofd en een lijf die op een kubistische, Léger-achtige manier zijn geschilderd.

Ondanks hun liefde voor traditionele boerenkunst geloofden Malevitsj en veel van zijn avantgardistische geestverwanten heilig in de vooruitgang in de kunst. Lange tijd was Malevitsj ervan overtuigd dat zijn `suprematisme', zoals hij zijn geometrisch abstracte schilderkunst van na 1915 noemde, het laatste, niet te overtreffen stadium in de schilderkunst was. Constructivisten als Vladimir Tatlin – Malevitsj' grote tegenstrever in de Russische avant-garde die in Brussel is vertegenwoordigd met onder meer een schitterend `hoekcontrareliëf' – gingen nog een stap verder dan Malevitsj en verklaarden de hele schilderkunst tot een door de moderne tijd overbodig gemaakt verschijnsel. Kunstenaars moesten de wereld niet afbeelden, vonden de constructivisten. maar vormgeven door gebruiksvoorwerpen en gebouwen te ontwerpen.

De kans om de wereld vorm te geven kreeg de Russische avant-garde na de communistische machtsgreep in Rusland in oktober 1917. De avant-gardisten beschouwden zichzelf als de artistieke voorlopers van de Oktoberrevolutie en eisten daarom belangrijke posities op in de kunst en vormgeving van het postrevolutionaire Rusland. Die kregen ze ook van Lenin, maar dit ging, anders dan de kunstenaars dachten, niet van harte. De communistische machthebbers zagen eigenlijk niets in avant-garde kunst. Maar doordat de meeste, traditionele Russische kunstenaars niet wilden samenwerken met het nieuwe regime, kregen de avant-gardisten wat ze wilden.

Het verbond tussen avant-garde en politiek leidde tot een unieke stroom van vooral toegepaste kunst. Zelfs Malevitsj, die de schilderkunst nooit afzwoer, ging serviezen en wolkenkrabbers ontwerpen. Maar uiteindelijke liep het experiment van de Russische avant-garde uit op een tragedie. Zodra de communistische machthebbers vast in het zadel zaten en de steun van de Russische avant-garde niet meer nodig hadden, drongen ze die steeds verder naar de marges van het Sovjet-kunstleven. Beter dan de avant-gardisten zelf begrepen de communisten dat de abstract-geometrische kunst en functionalistische vormgeving en architectuur nooit populair zouden worden onder de boeren en arbeiders in wier naam ze de Sovjet-Unie hadden gesticht.

In 1935, toen Stalin de Sovjet-Unie in een ijzeren greep had gekregen, werd het socialistisch realisme verheven tot de officiële kunstdoctrine. `Avant-garde in Rusland' besluit dan ook gepast met een paar proeven van dit socialistisch realisme, zoals het gigantische doek Kirov neemt een parade af van gymnasten uit 1935, waarop stralende, goed bevleesde mannelijke en vooral vrouwelijke adolescenten de partijsecretaris van Leningrad bloemen toewerpen.

Tentoonstelling: Avant-garde in Rusland, 1900-1935. (Europalia). T/m 22 jan. 2006 in Paleis voor Schone Kunsten, Koningsstraat 10 Brussel. Geopend: di t/m zo 10-18 u., do tot 20 u. Gesloten 25-12-2005 en 1-1-2006. Prijs catalogus 30 euro