Literaire patatten

Louis Paul Boon, Lieve Joris en Remco Campert, ze schreven allemaal wel eens over frietjes. De literaire frietverhalen zijn nu verzameld in één boek.

`De zon was ondergegaan en het Ronse avondleven had een aanvang genomen. Het deel wat ik daarvan kon waarnemen bestond uit een friettent, en met aandacht beschouwde ik voor de zoveelste maal de waanzinnige gretigheid waarmee het Belgische volk, jong en oud, friet naar binnen slaat.'

Bob den Uyl

Het is al zijn vierde boek over patates frites. De Antwerpse cultuurhistoricus Paul Ilegems heeft van dit vulgair volkse erfgoed zijn levenswerk gemaakt. Hij legde eerder een frietkot-typologie vast op foto's: van chalet, busfrituur en caravantype tot frietbarak, portiek- en designfrituur. Bovendien is hij conservator van een patatmuseum (gevestigd op de bovenetage van Fritkot Max in Antwerpen).

Zijn nieuwste boek Frietgeheimen, dat donderdag in Antwerpen is gepresenteerd, gaat weer een stapje verder in het onthullen van wetenswaardigheid over deze aardappelstaafjes. Het verheft dit veelal staande genuttigde `tussendoortje' op een iets hoger plan door een hoofdstuk te wijden aan patat in de literatuur, waarin frietverhalen en romanfragmenten zijn samengebracht van Louis Paul Boon, Jeroen Brouwers, Hugo Claus, Herman Brusselmans, Drs. P, Geert van Istendael, Lieve Joris en bijvoorbeeld de Nederlandse schrijver Remco Campert: `Het dient koud, guur weer te zijn. De friteskraam zoeke men bij voorkeur buiten de kom van de gemeente om elke vorm van `gezelligheid' te vermijden. Dit verhoogt de concentratie op het product.'

In Frietgeheimen ook aandacht voor de frietrobot, elektronische friet, de invloed van de fastfoodcultuur op patat, frietgezegden (patattenbloed hebben = er bleek en verzwakt uitzien) en bakwenken. Want dat patat niet zo maar een eenvormig product is, blijkt alleen al uit de vele bereidingswijzen (een of twee keer bakken in plantaardige olie, dierlijk vet of een combinatie), de vorm: dik, dun, lang, kort, maar ook uit de conditie (voorgebakken ingevroren of vers), de baktijd, olietemperatuur en het uiterlijk: gelig zacht of bruin krokant. Friet kan bovendien genuttigd worden als hoofd- of bijgerecht.

Was in zijn eerdere boeken de `uitvinding' van de friet al beschreven, die volgens sommigen tot in Frankrijk te herleiden is en volgens anderen naar België terugvoert, nu is het de beurt aan de Hollander Ubel Zuiderveld om te concluderen hoe de Nederlanders er op hun eigen manier als derde mee heen gingen: ze verdienden er het meeste aan, vooral aan voorgebakken patat; in 2000 1,5 miljard kilo (slechts 200 miljoen kilo was voor eigen gebruik).

Ilegems wil nu nog een mooi koffietafelboek maken met foto's van frietkotten: ,,Het zijn tenslotte belangwekkende staaltjes van volksarchitectuur, geïmproviseerde architectuur, van architectuur zonder architect.''

Typerend voor Frietgeheimen is het omslag, waarop twee Belgische cultuurfenomenen in gifkleuren in elkaar opgaan: het atomium, opgebouwd met gehaktballen en friet.

Frietgeheimen, Artus Uitgevers, 17,50 euro.