Langs de Rotterdamse bruggen over de Rotte

Tijs van den Boomen volgt de rivier de Rotte en ziet, behalve 20 bruggen, de stad van de gewone Rotterdammer.

Het lijkt wel of Rotterdam liever niet herinnerd wordt aan het stroompje waaraan ze haar naam ontleent: de Rotte. Toegegeven, groots en meeslepend is dit water moeilijk te noemen: zonder gemalen stroomt het niet eens meer. Liever afficheert Rotterdam zich als Manhattan aan de Maas, met de Erasmusbrug als icoon. Maar dat is geschiedvervalsing, want Rotterdam is `van oorsprong een stad náást de rivier, achter de dijken, meer dan een stad áán de rivier', schrijft stedenbouwkundige Frits Palmboom in Het Groot Rotterdams Bruggenboek dat onlangs verscheen.

Conclusies verbindt dit koffietafelboek met ruim negenhonderd bruggen daaraan echter niet: de aandacht gaat vooral uit naar topstukken over de Maas, zoals de Hef, de Erasmusbrug en de Willemsbrug. De uitgezette wandelingen beperken zich tot de beide Maasoevers en bevestigen het gewenste imago van de dynamische havenstad. Maar de havens zijn al lang vertrokken naar de Maasvlakte, de oude pakhuizen zijn omgebouwd tot lofts en de Kop van Zuid is het domein van yuppen en toeristen geworden. Om de stad van de gewone Rotterdammer te zien, kun je beter de Rotte nemen, een tocht van een kilometer of tien langs twintig bruggen.

Als je per fiets de rivier afzakt, begint Rotterdam met de flats van Ommoord. Twee fietsbruggen verbinden de jaren-zestigwijk op de linkeroever met die andere klassieker uit de planologie: het dagrecreatiegebied. Het is maar de vraag of de bewoners veel gebruikmaken van de skibaan op de voormalige puinstortplaats, want Ommoord is een van de meest vergrijsde buurten van de stad.

`Schrijft de brugwachter overdag zijn memoires? Leest hij opwindende lectuur? Tekent hij? Zijn brugwachters filosofen?', vraagt een van de schrijvers van het bruggenboek zich af. Welnu: de brugwachter kijkt digitale tv. Rob Wessels tenminste, die de derde brug, de Irenebrug, bedient. Al in dertiende eeuw lag hier een brug, en het buurtschap kreeg dus de naam Terbregge. Het huidige exemplaar is pas een jaar oud en behoort formeel tot dezelfde familie als de Hef. Hier echter geen machtige stalen spanten maar blonde baksteen, bovendien kan de brug slechts anderhalve meter omhoog. Dat zijn brug in een boek vermeld staat, is nieuw voor Wessels. ,,Ik wacht rustig af tot het bij het kerstpakket zit. In die 34 jaar bij de gemeente heb ik al een hele stapel gehad.''

Het fietspad op de rivieroever slingert vervolgens een tijdje parallel aan de kaarsrechte snelweg, de rivier van de twintigste eeuw. In de langgerekte polder ertussen ligt de gloednieuwe wijk Nieuw-Terbregge, vanaf de hoge oever zie je de fleurige Vinex-blokjes in de diepte liggen. Dit is de rijkste en veiligste buurt aan de oevers van de Rotte, tevens de buurt met de grootste Leefbaar-Rotterdam-aanhang.

Bij de vierde brug is het gedaan met de aangeharktheid en laat Rotterdam even haar oude tanden zien met een rafelrandje: verroeste boten op de oever, een berg sloopafval, een tractor die met klimop overwoekerd is. Onder brug 6 knabbelen twee paarden aan een hooibaal: de ruimtes onder dit machtige viaduct van de A20 zijn in gebruik als rijbak van een manege.

VOLKSBUURTEN

De oude volksbuurten komen in zicht bij de zevende brug, vanaf hier loopt de Rotte tussen het Oude Noorden en Oud-Crooswijk door. Het percentage allochtonen stijgt in een klap van 24 naar 64 procent, het inkomen daalt met eenderde. Maar hier liggen wel twee van de mooiste bruggen van het traject. Brug 9, de Zaagmolenbrug, heeft een elegant stalen brugwachtershuisje uit het midden van de jaren vijftig en wordt door buurttheater BEP `voorbereid op een kunstzinnige bestemming'. Vierhonderd meter verder ligt de oude Noorderbrug, die bakstenen voornaamheid tentoonspreidt. Bij wijze van photo opportunity hebben zwanen vlak voor de brug een nest in het water gebouwd, een passerende allochtone vader met kinderwagen trekt zijn mobiele telefoon om de idylle vast te leggen.

Bij brug 11 bereikt de Rotte het weggebombardeerde hart van de stad, dit is de eerste van de vijf bruggen die tussen 1942 en 1946 zijn gebouwd. Meteen na het Duitse bombardement ging directeur van Gemeentewerken Witteveen aan de slag. Hij zag een grote toekomst voor het transport per vrachtschip en koos voor een bevaarbare verbinding met de Nieuwe Maas, compleet met betonnen bruggen. Een moderne uitstraling kregen ze echter niet: ze werden bekleed met bakstenen.

Al voor het einde van de oorlog werden Witteveens plannen terzijde geschoven en keerde de stad de Rotte de rug toe. Pas in de jaren zeventig werd dit stuk van de binnenstad afgebouwd en toen was de architectonische smaak drastisch veranderd, zodat de oorlogsbruggen nu monumentaal afsteken bij de stadsvernieuwing met veel schuine hoeken, muren en balkons. Bij brug 14 staat nog het optimistische bord `brug open, motor af', maar open kan ze al lang niet meer. In het huisje zit nu een modezaak: het bedieningspaneel dient als vitrine en de pashokjes zitten in de machinekelder. Ook al ligt de zaak op een steenworp afstand van het stadhuis, toch zit de loop er niet in. ,,Bijna niemand kent dit stuk van de stad'', klaagt het winkelmeisje, ,,we hebben nog geluk dat hier om de hoek de goedkoopste parkeergarage van het centrum zit, dat trekt nog wat volk.''

SPIEGELENDE HOOGBOUW

Niet alle bruggen zijn uit de oorlog, ook de jaren zeventig lieten hun sporen achter. Zo is brug 16 een donkerbruin houten gevaarte dat doet alsof het een ophaalbrug is. Deze doodzonde tegen het modernisme – gij zult u niet anders voordoen dan u bent – leidde in het bruggenboek tot de kwalificatie `lelijk als de nacht'. Bij brug 18, een betonnen liggerbrug die vermomd is als een dubbele gemetselde boogbrug – maar daaraan neemt het boek geen aanstoot – duikt eindelijk de spiegelende hoogbouw op waarmee Rotterdam zich graag etaleert.

De Nieuwe Maas is binnen handbereik, maar brug 20 blijkt aan de rivierzijde dichtgemetseld. Er zit nog wel een sluis in, waarmee het `technisch nog mogelijk is om de Rotte uit te wateren op de rivier'. Als automobilist zul je deze brug niet snel waarnemen: dit is de Blaak met het naastgelegen Plein 1940, alles bij elkaar een vlakte van bijna 150 meter breed. Ook het bruggenboek heeft haar over het hoofd gezien, net als twee andere bruggen over de stiefmoederlijk behandelde Rotte.

Het Groot Rotterdams Bruggenboek, ISBN 90 5994 046 6, uitgeverij Aprilis, 2005, €29,90