Graven voor de koning

C.J.C. Reuvens was Nederlands eerste hoogleraar archeologie, in Harderwijk. Zijn universiteit werd opgeheven. Toch eren veel archeologen hem als de grondlegger van de wetenschap van het opgraven.

DE ARCHEOLOGISCHE handboeken en encyclopedieën laten C.J.C. Reuvens (1793-1835) onvermeld. Toch was deze Nederlandse negentiende-eeuwer en niet de Deen Jens Worsaae in 1818 de eerste hoogleraar archeologie ter wereld.

Terwijl Worsaae overal de eerste beroepsarcheoloog wordt genoemd, heeft Reuvens het lang moeten doen met enkele informatiepanelen in een parkje in Voorburg. Hier, op het voormalige landgoed Arentsburg, voerde hij tussen 1827 en 1834 de eerste wetenschappelijke opgraving in Nederland uit. Hij wilde vaststellen of achter de duinen de Romeinse stad Forum Hadriani had gelegen. `Ja' luidde zijn conclusie, maar tot een verantwoorde publicatie kwam het niet. Reuvens overleed al in 1835, op 42-jarige leeftijd.

De Algemeene Konst- en Letterbode sprak nog wel van een `groot en onherstelbaar verlies', maar Reuvens en zijn manier van archeologie beoefenen raakten al snel in de vergetelheid. Het zou vijfenzeventig jaar duren voordat er in Nederland weer een archeoloog aan de universiteit werd benoemd. Nog eens ruim zestig jaar later werd het jaarlijkse Nederlandse archeologencongres naar hem genoemd en begon Ayolt Brongers van de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek aan zijn missie om Reuvens de (internationale) eer te geven die hem toekwam. Eén keer lukte het hem om in een Engels vakblad vermeld te krijgen dat de Britten `due to bloody ignorance' Reuvens nooit op waarde hebben geschat, maar daar bleef het bij.

pionier

Maar zie, net voor de pogingen tot internationale erkenning Don Quichote-achtige trekjes begonnen te krijgen, is de laatste twee jaar iets veranderd. Reuvens staat volop in de belangstelling: Brongers heeft na dertig jaar eindelijk zijn Reuvens-biografie gepubliceerd; Ruurd Halbertsma van het Rijksmuseum voor Oudheden (RMO) heeft een boek gepubliceerd over Reuvens als archaeologische pionier; binnenkort opent in Museum Swaensteyn in Voorburg een tentoonstelling over de opgravingen van Forum Hadriani; T.M. Buijtendorp doet promotieonderzoek naar Reuvens' opgraving en gisteren bogen negen wetenschappelijke sprekers zich tijdens een symposium in Leiden over de vraag of Reuvens echt de grondlegger van de moderne Nederlandse archeologie was.

Reuvens was de grondlegger van een heleboel, zou de conclusie van de bijeenkomst kunnen luiden. Een korte opsomming: hij was de eerste directeur van wat nu het RMO is en heeft de basis gelegd voor de Griekse, Romeinse en Egyptische collecties van dat museum. Hij zag in 1822 als een van de eersten in Europa het belang van de ontcijfering van het hiërogliefenschrift door de Fransman Champolion. Met publicaties over oude Egyptische bronnen legde hij daarna de fundamenten voor de Nederlandse Egyptologie. Hij schreef ook de eerste wetenschappelijke publicatie over de Javaanse oudheden en zette de lijnen uit voor verder onderzoek. Hij toonde zich daarbij een groot voorstander van samenwerking tussen disciplines. Alleen door de gecombineerde studie van taal, religie, chronologie, kunstuitingen en gebruiken was het volgens hem mogelijk om oude beschavingen goed te leren kennen.

Van oorsprong was Reuvens jurist, net als zijn vader, die tijdens de Franse overheersing aan het Hof van Cassatie in Parijs was benoemd. Zijn vader had hem bewust van jongsaf ook een filologische opleiding laten volgen. Zo kon Reuvens al op zijn tweeëntwintigste een geleerde verhandeling over het Oud-Grieks publiceren, om daarna hoogleraar aan het Athenaeum in Harderwijk te worden. Drie jaar later dreigde hij werkloos te worden, toen het Athenaeum werd opgeheven. Maar minister van Onderwijs Falck wilde de talentvolle Reuvens niet voor de wetenschap verloren gegaan. Falck wist dat Reuvens interesse had in archeologie, dat nog nergens onderwezen werd, en kreeg het voor elkaar dat koning Willem I hem in Leiden tot bijzonder hoogleraar archeologie benoemde. In één moeite door maakte de koning hem ook directeur van het op te richten Museum van Oudheden.

Reuvens had het niet gemakkelijk aan de universiteit. Zijn geleerde collega's zagen de archeologie als een aardig tijdverdrijf voor heren die antiquiteiten verzamelden. Reuvens beschouwde archeologie juist als de `geschikste wetenschap om het geloof aan de geschreven geschiedenis sterk op de proef te stellen'. In zijn ogen hoorde archeologie met sterrenkunde en geologie tot de wetenschappen die nieuwe bronnen van kennis openden. Om zijn vak te propageren gaf hij regelmatig gratis college. Verder sloot hij zich aan bij Antiquiteiten, het eerste populair-wetenschappelijke tijdschrift dat zich sterk maakte voor onderzoek van het oudste Nederlandse verleden. Reuvens was ook geen kamergeleerde, maar reisde door Nederland om archeologische vindplaatsen vast te leggen en zo de eerste landelijke vondstenregistratie op te zetten.

dreigen

Zelf opgraven zat er lang niet in. Na veel bidden, smeken en soms dreigen bij het ministerie van Onderwijs kreeg hij het voor elkaar dat hij bij Arentsburg op rijkskosten mocht gaan graven. De koning vroeg zich in de daarop volgende jaren via zijn ambtenaren regelmatig af of ze het geld niet beter konden besteden door antieke vazen of beelden te kopen. Dan wisten ze zeker dat ze waar voor hun geld kregen. En Reuvens dan maar weer uitleggen dat archeologie meer was dan potten en pannen verzamelen. Het ging om het beantwoorden van de wetenschappelijke vraag of Forum Hadriani bij Arentsburg had gelegen. Hij was wel zo slim om er aan toe te voegen dat de opgraving ook interessante vondsten als een bronzen beeld zou kunnen opleveren. Vanaf het begin legde hij alles vast in een opgravingsdagboek. Verder huurde hij een tekenaar in die tekeningen maakte van overzichten, opgravingsvlakken en doorsnedes – zoals ook moderne archeologen hun opgravingen vastleggen. Hij deed alles zo nauwkeurig dat T.M. Buijtendorp voor zijn proefschrift de opgraving op papier na kon doen.

In 1834 noopte de slechte financiële staat van Nederland om de opgraving te laten stoppen. Reuvens kreeg te horen dat hij nog wel zou mogen reizen en kunstvoorwerpen voor het museum zou mogen kopen, maar opgraven zat er niet meer in. Bij Reuvens knapte er wat, getuige zijn opmerking in het dagboek: `Holland is niet het enige land waar de wetenschappen moet onderdoen voor Adel- en Rijkdom.'