Eenzame uitvaart nummer 5

Maandag 24 februari 2003, tien uur,

begraafplaats Vredenhof

Dichter van dienst: Menno Wigman

Niet eerder van tevoren zo veel werk aan de dienstdoende dichter gehad. Menno meldde in de telefoongesprekken die aan deze uitvaart voorafgingen meermaals dat hij al zes, zeven, acht, negen dagen niets gedronken had, en tot tweemaal toe om acht uur al was opgestaan: het kan dus wel, meldde hij trots. Sinds Fritz me vrijdagochtend iets te vroeg belde uit een diepe, gonzende, zweterige slaap, de soort van slaap van meer dan een fles wijn, om meneer Zwaal aan te kondigen, is er intensief contact geweest. Simon Zwaal, 71 jaar, gevonden in zijn woning.

Meneer Bakker staat al buiten. Meneer Bakker vervangt meneer Fritz vandaag, die heeft zelf een familiebegrafenis. Ik heb Fritz hem wel eens aan de telefoon horen roepen: ,,Bakker! Jan!'' riep hij dan door de gang. Zo weet ik dat hij Bakker heet, meneer Jan. Om tien voor tien komt Wigman welhaast statig aanfietsen. Hij heeft een drietal kelken bij zich, wit. Aronskelken, gok ik, want dat zijn de enige kelken mij bekend.

We treden gedrieën de koffiekamer binnen, waarachter de kleine aula van Vredenhof is gelegen. Menno Wigman is een nieuwsgierig man. Hij kondigt aan een kleine toespraak te houden en een gedicht voor te lezen. Hij wil veel dingen weten. Of de man dronk. Of het in zijn woning een verwaarloosde bende was. En wie hem dan gevonden heeft. En of er geen familie is. Meneer Bakker heeft geen antwoord. Ja, de buren, maar die willen niet op de begrafenis komen. Voorzover er nog familie is, hebben ze alle belangstelling verloren.

Nu zou ik in deze situatie veeleer geneigd zijn om te wachten tot de ander het woord neemt en wellicht uit eigen beweging meer informatie loslaat dan op de expliciet gestelde vraag. Sommigen zwijgen in hun ongemak, anderen willen dan juist praten.

Verbeeld ik mij dat de dichter een forse damp van afgewerkte alcohol om zich heen draagt? Zijn bleekheid verraadt weinig. Het angstzweet dat de dichter op het aangezicht parelt kan heel goed aan de precaire situatie geweten worden. De dichter is een gevoelig man. Maar altijd goedgekleed. Hij draagt een zeer donkergrijs kostuum, dat met enige goede wil zelfs zwart te noemen valt. Een donkere overjas, die, als je erop zou slaan, een fijn wolkje stof zou loslaten, alsof de man zo langzaam leeft dat hij vanzelf stof verzamelt. Stof zijn wij. Tot stof zullen wij wederkeren. Als fijn stof zullen wij neerdalen op schouders van mensen die we nooit hebben gekend. Lamlendige filmmuziek begeleidt ons bij het binnentreden van de aula.

We nemen gedrieën naast elkaar plaats op de in slagorde rond de kist geschaarde stoelen. We zitten op de voorste rij. Niet eerder zat ik zo dicht bij de kist. Hier ontbreken de zes kaarsen, die op St. Barbara om de kist heen staan. Grote witte kaarsen op een zilveren kandelaar, het geheel bijna twee meter hoog. De kaarsen zijn in werkelijkheid een dikke stok, waar bovenin een theelichtje wordt aangestoken. Zo slijten ze nooit. Achter ons wordt een gordijn gesloten.

Er is een klein, gesloten spreekgestoelte naast de kist geplaatst. Hierachter neemt de dichter plaats. Hij heeft zijn gedicht in een donkerblauwe map gestoken. Zo donkerblauw is het omslag, dat die met enige goede wil wel zwart te noemen valt. Hij opent zijn map en sluit deze weer. Hij houdt een korte inleiding op zijn gedicht. In zijn toespraak gedenkt hij Simon Zwaal, 71 jaar oud, die werd gevonden in zijn woning aan de Bilderdijkkade, hier in Amsterdam. Ieder woord dat hij spreekt, gaat gepaard met een handgebaar, alsof hij het gesprokene in de lucht wil onderstrepen. Alsof de woorden te zwaar zijn, alsof ze zonder enige vorm van begeleiding zouden kunnen vallen. Hij kucht. Vertelt dan dat hij bij het schrijven van zijn gedicht sterk aan het einde van de komiek Benny Hill moest denken, die zijn laatste jaren bitter zwijgend voor zijn televisietoestel doorbracht.

,,Zoiets stelde ik me voor'', legt Menno uit, terwijl hij zijn gewicht van het ene been op het andere verzet, de map weer openslaat. Dan komt het gedicht.

Moe in Amsterdam

Hij wist dat het zou komen, dat gevoel

dat achter alle ramen van de stad

het leven beter dan het zijne was.

Zo zat hij aan zijn Amsterdamse gracht.

Wat zeg ik? Zo denk ik dat hij daar zat.

Vergrendeld aan een Amsterdamse gracht.

Ik weet niet goed tot wie ik spreek, ik weet

alleen dat hier een lege schedel ligt,

een borstkas met een hart dat tot voor kort

nog eeuwig heeft gedrumd. Dag stille man.

Dag Amsterdammer zonder stratenplan.

Vergeet de stad en slaap zoveel je kunt.

De dichter slaat tot tweemaal toe een haastig kruis en legt zijn gedicht op de kist.

De kelken zitten nog in het cellofaan van de winkel. Krakenderwijs wordt er onhandig wat aan de verpakking gefrummeld. Naast mij hoor ik Bakker ademen. De uitvaartleider schiet te hulp, meneer Prins, het mooie, schriele mannetje met Deelder-haar, vet achterovergekamd. Maar ook de uitvaartleider heeft moeite met het plakband. Gezamenlijk frunniken de mannen nu in strijd aan de verpakking. Het elastiekje houdt de kelken in hun heilige drievuldigheid bijeen.

Ten slotte lukt het toch. De kelken worden, van hun verpakking bevrijd, in al hun tere naaktheid achter het gemeenteboeket op de kist gelegd. De uitvaartleider tilt het bloemstuk iets op en schuift het gedicht eronder, opdat het gedicht waaivast en toch zichtbaar mee naar buiten kan.

Als de dichter weer zit, weerklinkt het duet uit De Parelvissers door de aula. Helaas ken ik het beroemde stuk in een afgeleide versie, gezongen door de vergeten cabarethelden Henk Elsink en Frits Lambrechts, in de rol van twee tenoren. Over twee zangers die een friteskraam beginnen op het kruispunt Oudenrijn, waar sindsdien operaminnaars uit het hele land de vaste klanten zijn. `Staande in de walmen van het zuiver dierlijk vet/ zingen wij De Parelvissers van Georges Bizet.' Om in het juiste ritme te blijven, wordt de naam van de componist gezongen als `Zjor Zes Bie Zet'. Uit een duistere spleet in mijn herinnering klinkt de echo van het nasale stemgeluid van Elsink, die tussen het zingen door vraagt: `Mayonaise? Piccalilly?' Bij het derde stuk, `Het Air' van Bach, gaan de deuren voor ons open. De gordijnen waaien licht op en worden dan pas weggeschoven. Daar staan de dragers in het schetterende zonnelicht. Ook weer die grote goeiige, Jan, drager Jan, die wel wat op Alfred Hitchcock lijkt, uiterlijk dan. Meneer Degenkamp heeft me er een vorige keer van verzekerd dat zijn geestelijke vermogens beperkt te noemen zijn. ,,Beperkt?'' vroeg ik. ,,Zeer beperkt'', antwoordde Degenkamp.

Zwijgend lopen we langzaam achter de kist aan. We passeren het gedenkteken voor Hans Worm, en een soort tegel waarop met grote zwarte letters genoteerd staat: `Jij Blijfdt Voor Altijd In Ons Hart.' Menno verbreekt de stilte. ,,Zag u dat?'' vraagt hij aan Bakker, ,,blijfdt''. ,,Ach ja'', bromt Bakker, ,,zal wel ouderwets zijn zeker.'' ,,Johnny Jordaan, die schijnt hier ook te liggen'', kwebbelt Wigman verder, ,,ook met een fout op zijn steen.''

Dan zijn we er. We nemen onze stilte in acht. Meneer Prins spreekt, de handen plechtig voor de buik gevouwen, zijn vaste zinnen uit. ,,We vertrouwen Simon Zwaal nu aan de schoot der aarde toe.'' De kist zakt weg. Men is scheutig met grafgroen geweest. De takken dreigen even mee het graf in getrokken te worden, maar veren dan aarzelend terug om zich boven de kist te sluiten. Het bloemstuk is van de kist genomen. Het gedicht glanst als een bleke vlek vanuit het duister tussen de takken door. Nog even blijven we staan.

Dan wandelen we terug voor de koffie na de dood, die er altijd is, twee kopjes. Menno loopt nog even terug om zijn kelken weer op de kist te leggen. De bloemen vallen niet in het graf, maar blijven rusten op het dennengroen. En om de bloemen nu door de onwillige takken heen naar beneden te duwen, nee, dat doe je niet. Ze zullen uiteindelijk wel een keer vallen. Ik denk aan Benny Hill, de Engelse tv-komiek, van wie ik ergens een oerbeeld in me draag van een bol gezicht met een lelijke grijns, en op zijn hoofd een mal Egyptisch hoedje met een lange draad eraan. De wanhoop van de al te leuke oom. ,,Nee, dat is Tommy Cooper'', zegt Menno, ,,die was wel grappig. Benny Hill was ranziger. Je kunt hem vergelijken met de Mounties.'' Wij hadden de Mounties: Piet Bambergen, de kleine komiek, René van Vooren, de lange aangever. Ze maakten in de jaren zeventig grote televisieshows, waarbij de studio als tropisch eiland dienstdeed, hetgeen de narratieve mogelijkheid bood om aantrekkelijke jongedames schaars gekleed over het toneel te laten lopen, waarbij de dames zich veelvuldig achter wankele, bijna doorzichtige schermpjes moesten verkleden. En maar toespelingen maken. Alles ademde seks, preutse porno, dat was het. De heren in korte broek, met hawaiihemden aan, een zonnepetje op. Zo een was Benny Hill dus ook. De komiek van wie men zegt dat hij zich verbitterd terugtrok na een carrière die te lang geduurd had. Rechts amusement. Fout. ,,Volgens mij zijn ze allebei dood, de Mounties'', zeg ik. ,,Zo dood als Benny Hill''. ,,En Tommy Cooper'', vult Menno aan, ,,Tommy Cooper. Live. Op televisie. Pas toen hij al geruime tijd niet meer bewoog, verstomde de hilariteit onder de toeschouwers.'' En juist dat heeft hem onsterfelijk gemaakt, denk ik erachteraan. Zoveel groter dan Benny Hill, de vrijgezelle billenknijper, afgedankt tv-komiek, die nog jaren eenzaam grommend voor zijn televisietoestel zat. Tommy Cooper schreef per ongeluk tenminste nog geschiedenis.

In de koffiekamer mengt meneer Prins zich aarzelend in het sukkelend gesprek. Dat hij nog van de oude stempel is. Dat hij nog een degelijke opleiding heeft genoten. Hij vertelt wat hij vroeger van zijn baas geleerd heeft: de code van de zwijgzaamheid. Dat is de eerste wet. En vervolgens wat er van de spreker wordt verwacht. ,,De spreker'', doceert Prins, tersluiks naar de dichter omziend of hij diens volle aandacht heeft, ,,de spreker wordt geacht om stil te blijven staan.'' Hij doet het voor, dat stilstaan. Zet een stap naar achteren, vouwt de handen omzichtig voor het geslacht en blijft roerloos in die houding staan. Een volle minuut staren we naar de onbeweeglijke gestalte.

Ondertussen denk ik aan de karakteristieke begrafenishouding, met die handen kruislings voor het geslacht gevouwen, waar de kiemen van een volgend leven sluimeren. Of dat uit zelfbescherming is.

Prins knippert niet eens met zijn ogen. Dan ontdooit hij, en vervolgt, weer een kleine stap naar voren nemend: ,,De spreker legt de handen te rusten aan weerszijden van de katheder, om vanuit die roerloosheid eerst de blik over het publiek te laten gaan.'' De oude uitvaartleider kijkt ons allemaal een moment zwijgend aan. ,,Pas dan zal hij beginnen met spreken'', zegt hij, een belerende vinger opstekend, ,,waarbij men even roerloos blijft. Men wiebelt niet, terwijl men spreekt, men gaat niet wijdbeens staan, men poetst nimmer de bovenzijde van de schoen aan de achterkant van de pijpen aan de pantalon. Zo heb ik dat geleerd.''

Bij het minimale ritueel telt het detail. Voor meneer Prins zit de kwaliteit in de onberispelijkheid van de procedure. Als we afscheid nemen, negeert hij mijn uitgestoken hand. ,,Ik blijf nog even'', zegt hij. ,,ik sluit af.'' Buiten staan we aarzelend nog enige ogenblikken bijeen. Ik zie dat meneer Bakker in dezelfde auto is gekomen als meneer Fritz altijd bij zich heeft. Die waarin je een grote hond zou kunnen vervoeren naar zijn laatste rustplaats. De dichters zetten zich op hun herenfiets. Met hun lange jassen aan, stof verzamelend, in het nette pak gehesen. Het mensenhart. Het zonnelicht.