DE ZWARTE EXODUS

Eind augustus zette Katrina de straten van New Orleans blank. Nu het water gezakt is, komen de verhalen los. Onverbiddelijk sloten de blanke randgemeenten hun deuren voor de vluchtelingen uit de zwarte stad. In de toekomst, zo hopen de plannenmakers, zal het nieuwe New Orleans een kleinere, rijkere en blankere stad worden. 'God heeft het toilet doorgespoeld', zegt een politieman. Maar ook veel zwarten willen nooit meer terug naar de Lower Ninth Ward. 'Katrina was een zegen'.

Ze noemden zichzelf de Ninth Ward Rangers, en ze schatten dat ze met hun zessen zo'n drie- tot vierhonderd mensen uit de Lower Ninth Ward van de verdrinkingsdood hebben gered. Dat was in de eerste dagen nadat orkaan Katrina eind augustus voorbij New Orleans was getrokken en 80 procent van de stad had blankgezet. Terwijl de hele wereld stomverbaasd toekeek hoe het machtige Amerika dagenlang niet in staat bleek om de tienduizenden New Orleanians en gestrande toeristen te hulp te schieten, besloten de Ninth Ward Rangers het lot in eigen handen te nemen. Voor de bewoners van de straatarme en van criminaliteit vergeven stadswijk Lower Ninth Ward was dat trouwens allang een tweede natuur geworden.

We staan bovenop de ophaalbrug over het Industrieel Kanaal die de Lower Ninth Ward verbindt met de Upper Ninth Ward en het centrum van New Orleans. Vanhieruit heeft men een goed zicht op het gat in de dijk, en op het vrachtschip dat daar doorheen geslagen is en nu middenin de wijk is gestrand. Het is een maand na Katrina, en in de rest van de stad mogen de bewoners deze week mondjesmaat naar hun huizen terugkeren. Maar dat geldt niet voor de Lower Ninth Ward. Wat orkaan Katrina niet had verwoest, maakte orkaan Rita drie weken later af. De Lower Ninth Ward, daar zijn de meeste experts het over eens, is alleen nog goed voor de bulldozer.

En dat, zegt Michael Knight, een van de Ninth Ward Rangers, was van meet af aan de bedoeling. 'Ze hebben de dijken opgeblazen', zegt Knight zonder een spoor van aarzeling. 'Boem, boem, boem. Drie knallen heb ik gehoord, en toen begon het water plotseling heel snel te stijgen. Waarom? Om de andere kant te redden, Canal Street en het French Quarter. En om van de mensen hier af te zijn. Er is hier zoveel misdaad, schietpartijen en moorden... Ze hebben de mensen op de vlucht gejaagd zodat ze niet meer zouden terugkomen. Dat is wat ik denk. Maar ik kom terug. Ik ga mijn huis heropbouwen en ik kom hier weer wonen. Want ik ken niets anders dan mijn buurt.'

Het was nooit hun bedoeling geweest om helden te worden. Michael Knight, een 44-jarige automonteur en de informele leider van de Ninth Ward Rangers, had met vooruitziende blik zijn motorbootje met een touw aan zijn huis vastgeknoopt. Toen het water begon te stijgen, wilden zijn neef Freddy Hicks en hij eerst gewoon het vege lijf redden. 'Maar nadat we ons uren later uit het huis hadden bevrijd en in de boot waren gestapt, hoorden we overal om ons heen om hulp roepen. We zijn er met de boot op uitgetrokken. Zo is het allemaal begonnen.'

Vier dagen lang doorkruisten Knight en de anderen de buurt op zoek naar mensen die op hun daken waren gekropen of vastzaten op hun zolders. Ze hakten zich een weg door de dakpannen om de bewoners te bevrijden. Ze brachten hen eerst naar het dak van een kerk, en toen het er te veel werden naar de Frantz Elementary School, die iets hoger lag.

's Nachts keerden ze terug naar het huis van Michael, waar ze de boot vastbonden aan de tv-antenne. 'In het donker konden we met de boot niet manoeuvreren', zegt Hicks. 'De hele nacht hoorden we mensen roepen: Michael Knight! Wanneer kom je ons halen? Ik zal het mijn hele leven niet vergeten.'

Gewelddadige wijk

Dat mensen als Knight gevoelig zijn voor complottheorieën is niet verwonderlijk. De Lower Ninth Ward was het bestuur van New Orleans immers al lang een doorn in het oog. New Orleans is sowieso een bijzonder gewelddadige stad, maar binnen de stad spant de Lower Ninth Ward de kroon. In 1994 was New

Orleans met 421 moorden op een bevolking van een half miljoen nog de absolute moordhoofdstad van Amerika. Vijf jaar later was dat aantal gedaald tot 159, het gevolg van de algemene dalende trend van de misdaad in de vs, maar vooral van het zuiveren van de politie van New Orleans (nopd), die huurmoordenaars in haar gelederen bleek te tellen.

De afgelopen jaren nam het aantal moorden echter opnieuw toe in New Orleans, tegen de nationale trend in. In 2004 werden 265 moorden geregistreerd, merendeels in de Lower Ninth Ward, waar dubbel zoveel moorden worden gepleegd als in New Orleans in zijn geheel, en zes keer zoveel als in New York City. Toen burgemeester Ray Nagin op 9 september de zakengemeenschap van New Orleans bijeenriep om de wederopbouw van de stad te bespreken, verbaasde het dan ook niemand dat de Lower Ninth Ward op de meeste plannen alleen nog maar voorkwam als een spaarbekken om toekomstige overstromingen op te vangen. Voor dat laatste bestaan uitstekende wetenschappelijke argumenten. Maar het valt op dat nog niemand gesuggereerd heeft om bijvoorbeeld Lakeview, ook een laaggelegen gebied maar eentje waar vooral rijke blanken wonen, tot moerasgebied om te vormen.

Dat de dijk van het Industrieel Kanaal opzettelijk is opgeblazen, is dan ook een bijzonder hardnekkig gerucht in New Orleans. Het deed al de ronde na orkaan Betsy in 1965, toen het kanaal op bijna dezelfde plek lek sloeg en de Lower Ninth Ward onder water zette. Toen ging het verhaal dat burgemeester Victor Hugo Schiro, een conservatieve Democraat, de wijk opzettelijk had laten onderlopen zodat de zwarten bij de komende verkiezingen niet voor zijn progressievere rivaal zouden kunnen stemmen. Het verhaal is nooit bewezen, maar het was wél eens eerder gebeurd: in 1927 bliezen de autoriteiten de dijk van de Mississippi in St. Bernard Parish op om het centrum van New Orleans te redden.

Politica zonder kiezers

'Men wil ons hier weg hebben', zegt ook Charmaine Marchand. De 39-jarige zwarte politica vertegenwoordigt de Lower Ninth Ward in het parlement van de staat Louisiana. Haar politieke achterban zit nu verspreid over opvangcentra in heel het land. 'Ik heb een website opgezet om mijn kiezers terug te vinden. En we hebben een massamailing gedaan in de hoop dat mensen hun post hebben laten doorsturen naar hun nieuwe adres.'

Marchand is de enige politiek verkozene in haar district die ook echt in de Lower Ninth Ward woont. Ze heeft er geen enkele moeite mee zich in te leven in het lot van haar kiezers: sinds Katrina slaapt ze met haar 14-jarige zoon en haar ouders bij vrienden in de hoofdstad Baton Rouge. 'Goddamn!', vloekt de volksvertegenwoordigster terwijl ze, gewapend met rubberen laarzen en een zaklamp, door de stinkende smurrie in haar woonkamer stapt. 'Goddamn! Shit!' En dan: 'Oh my Lord! Het is niet te geloven: het goeie servies van mijn moeder heeft het overleefd!'

Marchand heeft een plan. Ze wil fema, het nationale rampenagentschap, ertoe aanzetten om woonwagens te plaatsen op het braakliggende terrein waar tot voor kort de beruchte sociale woonwijken Desire en Florida stonden. Daar zou een deel van de vroegere inwoners van de Lower Ninth Ward onderdak kunnen krijgen. Het huisvestingsplan moet gekoppeld worden aan een tewerkstellingsplan. 'Zodat wij kunnen meehelpen aan de wederopbouw van de stad. Want men zegt wel dat de mensen hier allemaal van de bijstand leven of criminelen zijn. Maar geef ze een kans, in plaats van de wederopbouw uit te besteden aan bedrijven van buiten Louisiana, zoals nu gebeurt.' Marchand weet dat ze tegen enorme krachten zal moeten opboksen om haar buurt te redden. Wetenschappers zeggen dat de laaggelegen gebieden moeten worden omgevormd tot spaarbekkens. En Alphonso Jackson, minister van Huisvesting van de regering Bush, drong er eind september persoonlijk bij burgemeester Ray Nagin op aan om de Lower Ninth Ward vooral niet meer op te bouwen. Volgens Jackson moet het nieuwe New Orleans sowieso een veel wittere stad worden, met hooguit 35 tot 40 procent zwarten. Vóór Katrina was dat 67 procent. 'Of we dat nu leuk vinden of niet', zei Jackson, 'New Orleans zal voor lange tijd, misschien wel voor altijd, lang niet zo zwart zijn als het was.'

'Er zijn in dit land veel bevooroordeelde mensen die er automatisch van uitgaan dat Afrikaans-Amerikanen criminelen zijn', zegt Marchand. 'En er zijn mensen in New Orleans, in de eerste plaats de vastgoedontwikkelaars, die niet willen dat de Afrikaans-Amerikaanse gemeenschappen terugkeren. Maar, zegt ze fel, 'wij zwarten zijn als kakkerlakken: we komen altijd terug.'

Ieder voor zich

Om een idee te krijgen hoe men buiten New Orleans over buurten als de Lower Ninth Ward denkt, volstaat een bezoek aan de grens met St. Bernard Parish. Eerst dringt het niet meteen door: de metershoge muur van containers en autowrakken op de gemeentegrens staat daar niet om mensen uit het rampgebied van de Lower Ninth Ward te houden. Het is net andersom: de muur moet verhinderen dat mensen uit de Lower Ninth Ward (98 procent zwart) oversteken naar St. Bernard Parish (95 procent blank).

'We hebben die muur opgetrokken zodra het mogelijk was, toen het water genoeg gezakt was. Waarom? Een veiligheidsmaatregel', legt kapitein Robert McNabb Jr. van de St. Bernard-politie uit. 'We hoorden allerlei verhalen over de politie in New Orleans die in schietpartijen verwikkeld was met gewapende burgers. 'We wilden gewoon niet dat die mensen uit New Orleans hierheen kwamen om herrie te zoeken', zegt kolonel Forrest Bethay. 'Daar aan de andere kant vermoorden ze je om niks', zegt kapitein Kelly Louga. Jack Stephens, de sheriff van St. Bernard, verwoordt het iets diplomatieker: 'Wij hadden de handen vol met de situatie hier. Het was een manier om onze grens te controleren zonder daar veel manschappen voor te moeten inzetten.' Overigens, zegt Stephens, 'voordat de muur daar stond, had ik gewapende mannen op de dijken staan om mensen uit New Orleans terug te sturen. Ze hadden orders om te schieten, om te doden als het nodig was. Nee, we hebben niet hoeven schieten. De mensen begrepen de boodschap onmiddellijk.'

Wat de muur op de gemeentegrens zo absurd maakt, is dat de bewoners van de Lower Ninth Ward weinig reden hadden om deze richting uit te komen. St. Bernard Parish was even grondig verwoest als de zwarte buurwijk. Sterker nog: bovenop de zondvloed van Katrina had men hier ook nog eens te kampen met een olielek uit de Murphy's Oil-raffinaderij. Veel bewoners van St. Bernard die onvoldoende verzekerd waren tegen overstromingsgevaar rekenen op een collectieve rechtszaak tegen Murphy's Oil om uit de kosten te komen.

St. Bernard Parish (69.000 inwoners) is niet rijk; het is 'blue collar', een arbeidersgemeente. In de complottheorie van de Lower Ninth Ward wordt het feit dat St. Bernard ook vaak overstroomt, verklaard met de term 'Chalmatians'. Het is een samentrekking van Chalmette, een deel van St. Bernard, en Dalmatiërs, de zwart en wit gevlekte honden. Bedoeld wordt dat de blanken in St. Bernard arm zijn, 'witte negers' in de woorden van Marchand. Zij zijn dus maar een klein offer voor het blank zetten van de Lower Ninth Ward.

Imposante man

Sheriff Stephens is een imposante man. Maar wanneer hij de verwoesting in zijn gemeente laat zien, schiet zijn gemoed vol. 'Soms vraag ik mij af of wij wel de moed kunnen opbrengen om dit allemaal weer op te bouwen. Het probleem lijkt zo groot; het is nauwelijks te bevatten. Als ik van de ene kant van mijn wijk naar de andere rijd, kom ik geen enkel deel tegen dat nog te redden is. Er zijn welgeteld drie huizen in St. Bernard die niet zijn overstroomd. Een daarvan is het mijne. De cata-strofe is compleet. We hebben geen enkele economische basis meer, we kunnen geen belastingen meer heffen. Zonder steun van de staat of van Washington kunnen we volgende week de ambtenaren niet meer betalen. Ik had 136 politiewagens voor Katrina; nu heb ik er nog 25. Het is alsof wij van de oppervlakte van de planeet zijn weggevaagd.'

Op de grens van St. Bernard Parish en Orleans Parish, vlak naast de barricade, staat een klein, wit gebouwtje met een toren. 'Zie je die vlag daar op de eerste verdieping?', zegt kapitein McNabb. 'Tot zo hoog kwam het water. Ik weet dat goed omdat ik mij nog aan de vlaggestok heb vastgehouden om op de boot te stappen toen de sheriff ons is komen redden.' Toen het water kwam, omstreeks zes uur in de ochtend, bevond McNabb zich met een tiental collega's in de politiepost. Er kwam net een konvooi van de Nationale Garde over de grens. 'De laatste vrachtwagen werd door de kracht van het water omvergeworpen. Ik ben toen nog in het water gesprongen om de chauffeur al zwemmend in veiligheid te brengen.'

Net als Michael Knight en de Ninth Ward Rangers brachten Robert NcNabb en zijn collega's de volgende dagen door met het redden van mensen in hun eigen bootjes. 'We stonden elke dag om zes uur op en werkten door tot het donker was.' In St. Bernard zijn een honderdtal mensen omgekomen, maar het echte aantal, zegt McNabb, 'zullen we pas over een jaar of zo weten. Er zijn mensen weggespoeld naar de open zee. Die vind je nooit meer terug.'

Wat voor een buitenstaander shockerend is, is dat de politie van St. Bernard, te midden van die paniek wel de reflex heeft gehad om onmiddellijk de grens met New Orleans af te sluiten. Die territoriumdrift dateert niet van Katrina. Het gebouwtje waaruit McNabb ontsnapte, is een van de politieposten die St. Bernard Parish al lang geleden heeft opgetrokken bij elke overgang naar Orleans Parish. Vorig jaar kwam sheriff Stephens nog in het nieuws omdat hij met geld van het federale ministerie voor Binnenlandse Veiligheid camera's had laten installeren op de gemeentegrenzen om er de gezichten en nummerplaten mee te registeren van elke automobilist die uit New Orleans kwam. De plaatselijke afdeling van de aclu, de Amerikaanse burgerrechten- beweging, stuurde destijds nog een verontwaardigd persbericht rond.

'Kijk', zegt McNabb, 'er is een enorm verschil tussen ons en de overkant. Wij zijn heel strikt, terwijl aan de andere kant bijna wetteloosheid heerst. Daar hebben ze zes keer zoveel inwoners als wij, en ze hadden vorig jaar bijna driehonderd moorden. Wij hadden er twee. Als je dat uitrekent per hoofd van de bevolking, dan zie je meteen wat ik bedoel. Wij willen niet dat mensen uit New Orleans hier misdaden komen plegen en dan weer over de grens verdwijnen. Vandaar die politieposten: je komt St. Bernard niet uit zonder ons te passeren.' Ik merk op dat St. Bernard voor het ogenblik niet veel te vrezen heeft, nu beide kanten van de barricade verwoest en uitgestorven zijn. 'Dat zal voorlopig wel kloppen', zegt sheriff Stephens.

Lang leve de Chief

St. Bernard Parish is geen uitzondering. In feite hebben alle blanke gemeenten die aan New Orleans grenzen vlak na Katrina de deuren gesloten voor de buren uit New Orleans. Ook Jefferson Parish (450.000 inwoners; 70 procent blank, 23 procent zwart) heeft een barricade - een heuse aarden wal - opgeworpen op de grens met de stad. Sheriff Harry Lee van Jefferson riep in de week van de storm alle gewapende mannen uit zijn gemeente op, benoemde hen tot hulpagenten, en stationeerde hen op de grens met New Orleans. 'Wie wil plunderen, stelen, verkrachten of moorden, die kan maar beter niet naar Jefferson komen', liet de sheriff weten.

Maar na Katrina ging de meeste media-aandacht in de vs uit naar Gretna, een overwegend blanke gemeente op de westelijke oever van de Mississippi. Als er iemand een held is in eigen buurt, dan is het wel chief Arthur Lawson van de politie van Gretna. 'God bless chief Lawson and the Gretna police', stond er vlak na Katrina op tal van zelfgemaakte borden die aan de verkeerslichten in Gretna waren vastgemaakt. En: 'Balls is spelled l-a-w-s-o-n' (Kloten spel je l-a-w-s-o-n.) Naarmate meer bewoners terugkeerden, maakten de zelfgemaakte borden plaats voor professioneel gemaakte plastic bordjes die nu in bijna alle gazonnetjes van Gretna staan geplant.

Wie is die Arthur Lawson? Voor de media in de vs was hij in de nasleep van Katrina een tijd lang Public Enemy Nr. One. Dat kwam door een verhaal dat via internet en e-mail was gaan circuleren. Lawson zou vlak na Katrina de vluchtelingen uit New Orleans terug over de rivier hebben gejaagd door zijn mannen over hun hoofden te laten schieten. 'Geen Superdomes in onze stad', zou de politie van Gretna hebben gezegd. De bron van dat verhaal waren Larry Bradshaw en Lorrie Beth Slonsky, twee blanke verplegers uit San Francisco die in New Orleans waren gestrand.

Larry Bradshaw (49) zal zijn verblijf in New Orleans niet licht vergeten. Het ooggetuigeverslag dat hij samen met zijn vriendin

Slonsky neerpende, is hét symbool geworden voor het ieder-voor-zich-gevoel dat zich in New Orleans heeft gemanifesteerd. Het vormt een ontnuchterend tegenwicht tegen de solidariteit die Amerika achteraf aan de slachtoffers van Katrina betuigde. Bradshaw en Slonsky waren in New Orleans voor een congres van hulpverleners toen Katrina de stad naderde. 'We hebben alles geprobeerd om weg te komen', vertelt Bradshaw, 'maar alle vluchten zaten vol, de bus- en treinstations waren dicht, en er waren geen huurauto's meer te krijgen. Wie geen eigen vervoer had - en dat waren de armen en de toeristen - die kon niet meer weg uit New Orleans.'

Bradshaw en Slonsky bleven aanvankelijk in hun hotel in het beroemde French Quarter. Bradshaw zamelde 25.000 dollar in onder de aanwezige gasten om een busmaatschappij van buiten de stad te laten komen. Maar de bussen kwamen niet. Later bleken ze door de Nationale Garde te zijn geconfisqueerd. Op dag vier werden ze uit hun hotel gezet - de voorraden water en voedsel waren op.

Voor Bradshaw was het een eye-opener.

'Mijn vriendin en ik zijn allebei hulpverleners. Het was een ontnuchterende ervaring om plots aan de andere kant te staan, zonder dat er hulp op komst is. Je vraagt je af hoe je zult reageren: ga je je om anderen bekommeren of red je alleen jezelf?'

Aanvankelijk wierp Bradshaw zich op als de leider van een steeds groter wordende groep radeloze mensen die van de aanwezige ordediensten evacuatie eiste. Ze kregen de raad om niet naar de Superdome of het Congrescentrum te gaan, waar de situatie geheel uit de hand zou zijn gelopen. Geruchten over moorden en verkrachtingen deden de ronde. Later zou blijken dat veel van die verhalen sterk overdreven waren, en dat er in de Superdome geen enkele en in het Congrescentrum slechts één persoon werd gedood. 'Maar dat wisten we toen nog niet, zegt Bradshaw, 'op het moment zelf was die angst voor ons heel reëel.'

Uiteindelijk kregen ze van een politieman te horen dat er op de westelijke oever bussen stonden te wachten. Ze hoefden alleen maar de Crescent City Connection Bridge over te steken. De groep was op dat moment aangegroeid tot zo'n vierhonderd man, vooral zwarten. Maar aan de overkant bleken helemaal geen bussen te staan. In plaats daarvan stond er een rij politieauto's die hun de weg versperde. Toen ze dichterbij kwamen, werd er over hun hoofden geschoten. 'Ze vertelden ons dat de westelijke oever geen tweede New Orleans ging worden, dat ze geen Superdome-toestanden wilden', schreef Bradshaw in zijn verslag. 'Dat waren codewoorden voor: als je arm en zwart bent, kom je de Mississippi niet over.'

De meeste mensen sloegen bij de eerste schoten op de vlucht. Bradshaw besloot met een kleinere groep op de middenberm een kamp op te slaan, om de aandacht te trekken. Toen dook er opnieuw een politieauto op. Met getrokken pistool zei de agent: 'Get off the fucking freeway!' Vervolgens, aldus Bradshaw, heeft hij het water en voedsel van de groep in zijn auto geladen en is vertrokken. 'Heel even hebben we toen nog overwogen om een sit-in te houden op de brug', zegt hij. 'Maar de meeste mensen in onze groep waren zwart. Ik denk dat zij veel beter wisten wat het reële gevaar was van een confrontatie met de politie.' Uiteindelijk installeerden Bradshaw en Slonsky zich met zes toeristen uit Boston in een schoolbus onder een brug, 'veilig uit het zicht van eventuele criminelen maar evenzeer van de politie'. Het collectieve overleven had plaatsgemaakt voor het individuele. De volgende dag werd de hele groep per helikopter uit de hel van New Orleans geëvacueerd.

Hekel aan de pers

Chief Arthur Lawson heeft aan de hele geschiedenis een grondige hekel aan de nationale pers overgehouden. Maar voor een buitenlands journalist wil hij wel een uitzondering maken. Het is een beetje jammer maar Lawson beantwoordt niet aan het beeld van de gemene racistische blanke politieman uit het Amerikaanse zuiden. Het is een minzame man met een indrukwekkende dubbele kin. 'Wij worden nu in het hele land afgeschilderd als een racistische stad die opzettelijk zwarte mensen uit New Orleans heeft laten verdrinken', zegt hij in zijn kantoor op het politiebureau. 'Wel, dat is gewoon niet waar.'

Maar een béétje waar is het wel. Lawson ontkent niet dat hij de Crescent City Connection, de brug die Downtown New Orleans verbindt met de westelijke oever, heeft afgesloten in overleg met de politie van Jefferson Parish. Hij ontkent ook niet dat één van zijn agenten boven de hoofden van de vluchtelingen heeft geschoten. 'Maar wat ze er nooit bijvertellen is dat wij op dat moment al bijna 6.000 mensen die over de brug waren gekomen, hadden geëvacueerd naar een afgesproken verzamelpunt van fema', de nationale rampendienst.

Met zijn 17.500 inwoners zit het kleine Gretna, oorspronkelijk een Duitse nederzetting, ingeklemd tussen Orleans Parish en Jefferson Parish, die elk zo'n 500.000 inwoners tellen. Gretna is overwegend blank (56 procent; 36 procent zwart), en redelijk welgesteld. Het is er ook bijzonder veilig, met vorig jaar welgeteld twee moorden. En de goede mensen van Gretna hebben Arthur Lawson gekozen om dat zo te houden.

'U moet weten dat wij, in tegenstelling tot New Orleans, wél een evacuatieplan hadden. Negentig procent van onze bevolking was geëvacueerd toen Katrina toesloeg. Wij zijn toen in lockdown gegaan. Dat was nodig om de lege woningen en winkels te beschermen.' En er was nog een verzachtende omstandigheid, zegt Lawson. 'Er was een heel droogdok, met schip en al, losgeslagen dat zich in onze dijk had geboord. Als die dijk het had begeven, dan had alles hier onder water gestaan. Dan hadden ze waarschijnlijk gezegd dat chief Lawson al die mensen de dood in had gejaagd.'

Eén ding is duidelijk: al was de politie van Gretna aanvankelijk solidair met de mensen uit New Orleans, aan die solidariteit zat ook een grens. Voor chief Lawson was die bereikt toen plunderaars uit New Orleans het Oakwood Shopping Center, aan de voet van de brug, in brand staken. 'De plunderaars mengden zich met de evacués, en het was totale chaos. Kijk, er waren veel goeie mensen onder die vluchtelingen, maar er zat ook een crimineel element tussen. Dat konden we zien aan de hoeveelheid wapens die we hebben aangetroffen tussen de bezittingen die de mensen moesten achterlaten toen ze op de bussen stapten. Wij hadden geen water en voedsel, en onze bussen hadden geen diesel meer. Wij konden niet meer helpen. We hebben toen besloten dat het moment was gekomen om voor onszelf te zorgen.' Open brief

Een maand later is Larry Bradshaw in San Francisco een open brief aan het schrijven aan de inwoners van Gretna. 'Ik wil niet dat dit een vete wordt tussen mij en Gretna. Ik denk ook niet dat chief Lawson een lid van de Ku Klux Klan is of zo. Ik denk dat hij een groep zwarten heeft gezien en onmiddellijk aan gevaar heeft gedacht. Het is droevig als gezagsdragers in termen van 'wij tegen zij' denken, als zij gemeenschappen tegen elkaar opzetten. Als je ziet wat Lawson nu zegt, dan valt op dat hij het voortdurend heeft over hoe hij de eigendommen van de mensen in Gretna heeft beschermd. Ik begrijp de angst die men toen had in Gretna. Maar Lawson had moeten weten dat de mensen die gestrand waren op dat kleine stukje van New Orleans dat nog niet onder water stond, ook heel erg bang waren. Waarom was de angst van de mensen in Gretna zoveel belangrijker dan die van de mensen in New Orleans?'

Bradshaw hoopt dat er toch iets positiefs zal komen uit het debacle. 'Het is een goeie zaak dat de Amerikanen eindelijk gedwongen worden om na te denken over het racisme en de klassenverschillen in onze maatschappij.' En hij hoopt dat de mensen in Gretna aan het denken gezet worden over wat er gebeurd was als de situatie omgekeerd was geweest. Als Gretna overstroomd was en New Orleans de enige uitweg was geweest. 'Of als ze als toeristen in San Francisco zouden stranden tijdens de grote aardbeving.'

Misschien komt de beste analyse van wat in New Orleans is gebeurd nog van de 13-jarige Ramon Golden uit Boston, die samen met zijn moeder tot het laatst bij Bradshaw is gebleven. 'De mensen in New Orleans', zei Golden toen hij met Bradshaw werd herenigd voor een studiogesprek, 'waren zo bang dat ze alleen nog aan zichzelf konden denken.'

Alledaags racisme

De meeste mensen uiten hun racisme in meer bedekte termen: ze hebben het over mensen die van de bijstand leven, over criminaliteit en armoede. Maar af en toe komt het racisme heel ongezouten naar boven. Zoals bij de blanke politieman die ongevraagd zijn mening komt geven aan een groepje journalisten dat zit te tafelen in het Sheraton-hotel aan Canal Street, het enige hotel in New Orleans waar na Katrina nog wat te eten valt. 'God heeft het toilet doorgespoeld', zegt de politieman. Er bestaat geen twijfel over wat hij daarmee bedoelt. Stanley Greene, een zwarte Amerikaanse fotograaf in ons gezelschap, laat het voor één keer over zich heengaan. Katrina is zijn eerste reportage in de Verenigde Staten sinds hij achttien jaar geleden naar Parijs verhuisde. De confrontatie met het racisme in zijn geboorteland is als een koude douche. 'Er is niets, maar dan ook niets veranderd', zucht hij.

Dat ervoer ook de zwarte politieman in café Dry Dock in Algiers Point. Hij wil niet zeggen voor welke politiedienst hij werkt, of uit welk deel van de vs hij afkomstig is. Maar zijn accent verraadt dat hij uit het noordoosten komt. Naar New Orleans gestuurd worden was een ervaring waarop hij niet was voorbereid. 'Mijn blanke collega's hebben er geen flauw idee van wat ik hier elke dag moet doorstaan', zegt hij. 'Ik ben blij dat ik over een paar dagen kan vertrekken. Want ik zweer het: de eerstvolgende keer dat iemand mij met 'boy' aanspreekt, beland ik in de gevangenis.'

De politieman is de enige zwarte in de Dry Dock. Hij beseft het niet, maar hij zit in de stamkroeg van de blanke burgerwacht in Algiers Point, een stadsdeel van New Orleans aan de overkant van de Mississippi. Twee weken geleden heeft de burgerwacht hier vlakbij nog een feestje gebouwd. Het was een barbecue ter ere van de 1ste Cavalerie van het Amerikaanse leger die hier orde op zaken is komen stellen.

Het is een bizarre vertoning, zo kort na Katrina. Uit een witte pickup-truck knalt keiharde muziek, terwijl in de koplampen uitzinnige soldaten van de 1ste Cavalerie aan het dansen zijn. Ze graaien wild naar de Mardi Gras-halssnoeren die een jonge blonde vrouw vanuit het open dak naar buiten gooit. De auto en de vrouw horen bij Blaine Kern, de 75-jarige eigenaar van het pretpark Mardi Gras World in Algiers, en de organisator van de jaarlijkse toeristische carnavalsstoet in het French Quarter. Volgens de politiechef van Algiers hebben er in zijn buurt na Katrina helemaal geen blanke burgerwachten bestaan. Maar Kern zal later tegen de Chicago-Sun Times vertellen: 'Mijn mannen waren de burgerwacht; wij hebben op [de plunderaars] geschoten.'

'We hebben een pact gesloten', lalt de stomdronken Herc, een zestiger met een grijze baard en een grappig hoedje, op de barbecue. 'We praten niet meer over de plunderaars die we hier in die eerste dagen hebben doodgeschoten. Maar ze zijn er niet meer, zoveel is zeker.' Een paar dagen eerder was dat nog anders. Toen vertelde Bobby, een andere buurtbewoner, nog aan iedereen die het horen wilde dat hij hoogstpersoonlijk twee plunderaars had doodgeschoten. Op de barbecue houdt Bobby het bij een tirade tegen 'die profiteurs die van de bijstand leven. Die mensen kunnen niets anders dan op hun krent zitten en wachten tot de overheid ze geld toestopt.'

Bobby vertelt ook over die ene plunderaar die ze hebben doodgeschoten. 'Ze hebben een bord om zijn nek gehangen met het opschrift 'Looters will be shot' en hem rechtop tegen een muur gezet. Om anderen af te schrikken.' Een paar dagen geleden vertelde Bobby - die in de buurt bekendstaat om zijn sterke verhalen - dit nog in de eerste persoon. Maar stilaan moet het zelfs tot de blanke burgerwachten doordringen dat het niet zo verstandig is op te scheppen over hoeveel mensen je hebt doodgeschoten - plunderaars of niet. 'Ik weet dat er mensen zullen zeggen dat wij racisten zijn', zegt Wayne Janak (57), de zelfverklaarde leider van de blanke burgerwacht in Algiers. 'Ik zie dat anders. Ik zeg niet dat ik trots ben op wat ik gedaan heb. Maar ik denk dat het gerechtvaardigd was. Goed, misschien is het een beetje uit de hand gelopen. Achteraf bekeken waren sommige van die plunderaars misschien gewoon mensen die probeerden te overleven.'

Black Panthers

Malik Rahim (56) heeft een heel andere lezing van wat er in Algiers is gebeurd. Rahim is een voormalig lid van de Black Panthers, de zwarte militante beweging uit de jaren zestig, en hij woont bij Bobby om de hoek.

Volgens Rahim zijn er in Algiers Point zo'n achttien zwarten doodgeschoten. Eén lijk lag meer dan twee weken na Katrina nog altijd te rotten naast het plaatselijke gezondheidscentrum. 'Het waren er meer geweest als een paar van ons niet op de burgerwachten waren toegestapt. We hebben hen eraan herinnerd dat ze omringd zijn door zwarte buurten. Als er nog meer zwarten werden doodgeschoten, zouden zij het er niet levend vanaf brengen. 'Als het leger niet was komen opdagen, dan hadden we hier een regelrechte rassenoorlog gehad', denkt Rahim.

Hij haat mensen als Bobby. 'Wannabee police', gromt hij, 'het zijn allemaal kkk'ers daar. Opscheppen over hoeveel mensen ze hebben doodgeschoten, alsof het jachtseizoen was ge-opend of zo.' Rahim kan best begrip opbrengen voor de plunderaars, zelfs voor diegenen die stereo's hebben gestolen in plaats van voedsel. 'De mensen hebben gewoon hun frustraties afgereageerd op de stad. Een paar dagen lang hebben ze zich kunnen bedienen van wat hun al die jaren is ontzegd. Men zegt nu wel dat de overheid de arme zwarten van New Orleans aan hun lot heeft overgelaten na Katrina. Maar dat hebben ze al veel vroeger gedaan. Er wonen hier zo'n honderdduizend mensen die moeten rondkomen van minder dan 6.000 dollar per jaar.'

Wie wil weten wat het is om in een arme, zwarte wijk van New Orleans op te groeien, moet met Kevin Donsereaux (45) praten. Kevin is een gangbanger, een term waarmee criminelen en bendeleden worden aangeduid. Tenminste, dat was hij want sinds tweeëneenhalf jaar is Kevin clean. Kevin heeft het grootste deel van zijn leven doorgebracht in de Angola State Penitentiary, een ex-slavenplantage ten noorden van Baton Rouge waar driekwart van de gevangenen uit New Orleans belandt. Zijn vader zat daar ook al, tot hij in de gevangenis vermoord werd toen Kevin dertien jaar oud was. 'Ik had mijn eerste wapen op mijn dertiende, en op mijn zestiende was ik een succesvolle drugsdealer met een eigen appartement. Goed of slecht, ik probeerde gewoon te overleven. Maar toen ik ouder werd, zag ik in dat je daar niks mee opschiet.'

Dezer dagen moet Kevin zijn uiterste best doen om niet terug te vallen in de misdaad, en in 'New Angola South' te belanden, de tijdelijke gevangenis in het station van New Orleans. Want zijn appartement is door de storm verwoest, hij heeft geen cent op zak, en slaapt in de tuin van Malik Rahims huis. 'Drie paar boxershorts en een walkman, en de kleren aan mijn lijf. Dat is alles wat ik heb in deze wereld.' Hij geeft toe dat hij ermee worstelt. 'Ik heb overwogen om een bank te overvallen. Ik doe mijn best om positief te denken, maar het is moeilijk.'

Het is de vraag of er in het nieuwe New Orleans nog plaats zal zijn voor mensen als Kevin. Het is zoals de Republikeinse senator Richard Baker uit Baton Rouge, in een onbewaakt moment kort na Katrina, zei: 'We hebben eindelijk de sociale huurkazernes in New Orleans gezuiverd. Wat óns nooit gelukt is, heeft God in onze plaats gedaan.'

Veel van de mensen uit die wijken zijn terechtgekomen op plaatsen als het River Center in Baton Rouge. De hoofdstad van Louisiana is sinds Katrina de grootste stad van de staat geworden. De bevolking is verdubbeld van 200.000 tot meer dan 400.000, met een permanent verkeersinfarct tot gevolg. Een deel daarvan waren welgestelde New Orleanians, rijk genoeg om onmiddellijk een nieuw huis te kopen in Baton Rouge. Wie dat geld niet had, belandde in het River Center.

Het is een constant mentaal gevecht, zegt Nanette James, een zwarte dame die trots weigert haar leeftijd te geven maar ergens in de veertig moet zijn. Ze heeft het over het leven in het opvangcentrum, dat na vier weken erg zwaar begint te wegen. Op het hoogtepunt zaten hier bijna 7.000 mensen op elkaar gepakt. Dat aantal is nu gezakt tot een goeie duizend, maar veel meer privacy levert dat niet op wanneer je allemaal samen in een expohal huist.

We zitten op de stoep van het congrescentrum, vlak naast de dijk van de Mississippi, en overal zijn er tekenen dat het geduld van Baton Rouge met de arme evacués uit New Orleans bijna op is: het bord dat zegt dat het centrum geen nieuwkomers meer opneemt, de briefjes onder de ruitenwisser waarop staat dat vanaf maandag alle voertuigen weggesleept zullen worden, de fema-stand die mensen warm moet maken om te tekenen voor het eerste woonwagenkamp dat maandag opengaat ten noorden van Baton Rouge, de politie die de hele buurt heeft afgegrendeld.

'Wij zijn gebrandmerkt', zegt James. Ze wijst op de oranje armband om haar pols. Elke vluchteling krijgt zo'n armband om - het is hun toegangsbewijs tot het opvangcentrum. 'Telkens wanneer ik de stad inga, doe ik een groot polshorloge om zodat mensen niet zien dat ik uit New Orleans kom. Anders word je gediscrimineerd. Met zo'n oranje armband om kan je nergens in Baton Rouge een auto huren. Ik weet het want ik heb het geprobeerd.'

Toch vindt James dat Katrina voor New Orleans niet slecht is geweest. 'Ik zie het eerder als een nieuw begin. Ik zal blij zijn als die van misdaad vergeven woonkazernes afgebroken worden.' Haar vriend Troy Davis uit Jefferson Parish geeft haar gelijk. 'Katrina was een zegen', zegt hij, 'een tweede kans in het leven voor veel mensen in New Orleans.' Hij schat dat 70 procent van de zwarte gemeenschap niet zal terugkeren. 'Dit is voor hen een gelegenheid om zich elders te vestigen waar ze misschien meer kansen zullen krijgen.'

Het is maar goed dat het zwarte parlementslid Charmaine Marchand de bus naar Iowa niet ziet vertrekken. Het zou haar moedeloos stemmen over de kans dat de Lower Ninth Ward ooit nog zal herleven. Zeventien mensen van twee families die allemaal in hetzelfde gebouw in de Lower Ninth Ward woonden, staan klaar om te vertrekken. 'Voorlopig denken we een jaar in Iowa te blijven', zegt de 18-jarige Hebert Bolder. 'Het zal ervan afhangen of we daar banen kunnen vinden. Maar ik sprong een gat in de lucht toen ons deze kans werd geboden. Ik wil nooit meer terug naar New Orleans. Goed, ik zal een aantal vrienden missen. Maar verder is er niets voor ons in New Orleans. Ons leven daar bestond uit dingen die helemaal niet zouden mogen gebeuren; zoals jonge mensen die doodgeschoten worden. Nee, Katrina heeft ons een kans gegeven om dat alles te onvluchten.'

De twee families zijn op weg naar het dorp Pella in Iowa, ooit een Nederlandse nederzetting, op uitnodiging van een evangelische kerk daar. Pas wanneer het bagageruim dichtgaat en de bus wegrijdt, wordt de naam van de kerk zichtbaar: het One Way Ministry.

Wie niet rouwig zal zijn om het vertrek van de zwarten is projectontwikkelaar Pres Kabacoff. Met zijn vriendin Sally Glassman is hij onder de genodigden op de eerste tentoonstelling sinds Katrina in de galerie van Andy Antippas in het hippe Warehouse District. Glassman exposeert hier haar eerste, door de storm geïnspireerde werk. 'Het ziet ernaar uit dat er een hoop minder mensen zullen wonen in het nieuwe New Orleans', zegt Kabacoff. 'We zullen een veel compactere stad moeten bouwen, rondom het French Quarter, op hoge grond. We gaan van New Orleans het Parijs van de Caraïben maken.'

Toevallig heeft Kabacoff daar al een plan voor klaar, genaamd Operatie Rebirth. Dat had hij vóór de orkaan al liggen. Onderdeel van dat plan is de afbraak van het Iberville Project, een woonkazerne vlakbij het French Quarter waar de vastgoedsector al lang op aast. Kabacoff heeft enige ervaring. Een vijftal jaar geleden was hij betrokken bij de afbraak van het St. Thomas Project, een woonkazerne die middenin het sjieke Garden District lag. Daar staan nu keurige huizen voor welgestelde professionals en een Walmart. Volgens Kabacoff ziet burgemeester Ray Nagin St. Thomas als het model voor het nieuwe New Orleans. Voor de Lower Ninth Ward heeft hij een soortgelijk plan in gedachten. Kabacoff heeft gehoord dat sommigen dit nu al etnische zuivering noemen. 'Dat is een sterk woord, vind ik. Die arme mensen zullen het elders beter hebben, ergens waar ze kansen krijgen die ze hier in New Orleans niet hebben.'

Volgens galeriehouder Andy Antippas was één effect van de afbraak van St. Thomas dat de bendes uit de buurt zich vervolgens over de hele stad verspreidden. Dat zou kunnen verklaren waarom de criminaliteit in New Orleans de laatste jaren opnieuw is toegenomen. 'Wij in New Orleans leven al heel lang met deze situatie.

Nu is het Amerika's probleem geworden.' Hij pauzeert, trekt aan zijn sigaret en zegt: 'New Orleans heeft America jazz gegeven. Nu geven we ze shit.'

[streamers]

'Uit het puin van Trent Lotts huis gaat een geweldig nieuw huis verrijzen. Ik kijk er al naar uit om straks op zijn veranda te zitten.'

'Veel van deze mensen waren toch al kansarm, dus voor hen is dit eigenlijk een goeie zaak. Wat mij beangstigt, is dat ze allemaal in Texas willen blijven.'

'Als men echt het criminaliteitsprobleem wil aanpakken, dan zou men elke zwarte baby in dit land moeten aborteren.'

'Wij zwarten zijn als kakkerlakken: we komen altijd terug'

'Wie wil moorden, plunderen, of verkrachten, kan beter niet naar Jefferson komen'

'We praten niet meer over de plunderaars die we hier hebben doodgeschoten'

'Ik zeg niet dat ik trots ben op wat ik gedaan heb. Misschien is het een beetje uit de hand gelopen'

'We gaan van New Orleans het Parijs van de Caraïben maken'

Gert van Langendonck is freelance journalist.

Kael Alford is fotograaf in New York.