Cultureel voedsel moet niet uit supermarkt komen

De vrijheid van meningsuiting en communicatie mag niet het onderspit delven omdat enkele culturele giganten hun stempel drukken op ons culturele leven.

Minstens zo belangrijk als Kyoto en Rio, zeker zo omstreden als deze milieuverdragen, maar bijna geheel onbekend in Nederland: dat is de Conventie betreffende de bescherming en de bevordering van de diversiteit van culturele expressies. Deze geeft de nationale staten het recht maatregelen te treffen om de verscheidenheid aan artistieke expressies een kans te geven, zonder dat die uit de aandacht worden weggeduwd door, bijvoorbeeld, Hollywood of de vier muziekconglomeraten die nu ongeveer 80 procent van het muziekaanbod in de wereld verzorgen.

Eind vorige maand is deze conventie met een overgrote meerderheid aanvaard door de Algemene Vergadering van Unesco. Waar Kyoto en Rio de biodiversiteit hoog in het vaandel hebben staan, voor Unesco is het doel de verscheidenheid van culturele uitdrukkingsvormen te koesteren.

In feite gaat het om het beschermen van democratische waarden en het verdedigen van mensenrechten. Die kunnen alleen functioneren als een veelvuldigheid van stemmen, melodieën, beelden, films, teksten en verbeeldingen tot stand kan worden gebracht, kan circuleren, en kan bijdragen aan de vorming van verschillende culturele identiteiten. Dat is ondenkbaar als slechts een paar culturele conglomeraten beslissen wat ons culturele voedsel is. Het is net als met biodiversiteit: je moet bepaalde zaken beschermen, anders delven ze het onderspit.

Welke mogelijkheden biedt deze Conventie? Allereerst zouden we eens moeten kijken welke ondernemingen een in cultureel opzicht te dominante positie innemen. We moeten dan alle culturele markten meenemen: de audiovisuele markt en de markt van boeken, films, muziek, theater, en beeldmateriaal, en daarbij moet ook worden gekeken naar productie, distributie en marketing. Zijn die ondernemingen horizontaal en/of verticaal geïntegreerd? Komen ze vrijwel geheel uit het buitenland?

Vervolgens moeten we ons afvragen welke omvangrijke marktpositie en welk marktgedrag eigenlijk schadelijk zijn voor culturele diversiteit. Dit betreft de eigendomsverhoudingen van de culturele productie- en distributiemiddelen, maar ook de verscheidenheid aan culturele inhoud die aangeboden wordt. Weerspiegelen culturele ondernemingen in hun aanbod de feitelijke verscheidenheid die kunstenaars te bieden hebben, of draait hun zakendoen alleen om blockbusters, bestsellers en stars?

De volgende vraag is: welke maatregelen zijn geëigend om de markt te corrigeren, ofwel te normaliseren? Het antwoord is in essentie dat een mededingingspolitiek met een sterk culturele inslag gevoerd moet worden. Er moeten verschillende soorten regelingen geïntroduceerd worden die, bijvoorbeeld, de omvang van het eigendom van de middelen van culturele productie en distributie aan banden leggen. Op het gebied van culturele regelgeving moeten we vindingrijk worden, want we hebben daar nauwelijks ervaring mee. De vrijheid van meningsuiting en communicatie moet niet aangetast worden, maar aan de andere kant moet diezelfde vrijheid niet het onderspit delven omdat enkele culturele giganten hun stempel drukken op ons culturele leven.

Als voortaan onder cultuurpolitiek niet alleen subsidiepolitiek wordt verstaan, maar ook het regelen van culturele markten ten gunste van culturele diversiteit, dan kunnen we er vergif op innemen dat we binnen de kortste keren in conflict komen met de Verenigde Staten. Die hebben in Unesco als vrijwel enig land luid en duidelijk tegen de Conventie over culturele diversiteit gestemd en zullen daarom zeggen: voor ons geldt alleen de WTO en haar streven om markten juist niet te regelen. Cultuur is in die visie een gewoon handelsproduct. Het idee dat de markt bijgestuurd moet worden ten dienste van andere belangen is voor deze supermogendheid onbestaanbaar – Bush of Clinton maakt daarbij weinig verschil.

Het moet gezegd, ook de Conventie is in dit opzicht dubbelzinnig, wat het resultaat is van veel compromissen. Artikel 20 benadrukt dat de verdragspartijen al het mogelijke zullen doen om het doel van de Conventie, namelijk culturele diversiteit, werkelijkheid te laten worden, maar dat ze ook gebonden zijn aan eerdere verdragen, dus aan de WTO die nu juist niets moet hebben van het beschermen en bevorderen van culturele diversiteit. Dit in zichzelf tegenstrijdige Artikel 20 tempert natuurlijk de vreugde, maar ook weer niet helemaal. Het hangt ervan af of veel landen in de wereld zich sterk willen maken voor het regelen van hun markten ten faveure van culturele diversiteit, ook als dat conflicten geeft met, bijvoorbeeld, de VS.

De vrijwel unaniem aangenomen Conventie is daarbij een steun in de rug. We moeten het kabinet aansporen een beleid te voeren dat culturele verscheidenheid ernstig neemt. Dat gaat naast de inhoud van culturele expressies ook over de productie- en distributie.

Haast is geboden, anders worden we geconfronteerd met het neoliberale marktprincipe van `the winner-takes-all' in dit geval ons cultureel geheugen en plezier.

Lector politicologie van de kunsten in de onderzoeksgroep Kunst & Economie, Hogeschool voor de Kunsten Utrecht.