Buitenhof

Half nederland was met vakantie. Daardoor hebben velen onder u iets gemist: de uitzending van Buitenhof van zondag 23 oktober. Die ging over het studiehuis. Het bleek niet mogelijk iemand uit de praktijk te vinden die dat huis wilde verdedigen. Daarom had de redactie gekozen voor een ervaringsdeskundige die het studiehuis als een onderwijskundige ramp had ervaren, de ex-lerares klassieke talen M. Verbrugge, met tegenover zich twee PvdA-politici: Marleen Barth en Mariëtte Hamer. Barth distantieerde zich van het studiehuis door te zeggen dat daartoe al was besloten toen zij in de Tweede Kamer kwam, en dat zij daar altijd kritisch tegenover had gestaan. Een zwak verweer omdat zij nooit de indruk heeft gewekt op onderwijsgebied over welk onderwerp dan ook een eigen, onafhankelijk oordeel te hebben. Van basisvorming tot vmbo en schaalvergroting, altijd heeft ze vooraan gestaan in het verdedigen van de partijlijn. Inmiddels is ze voorzitter van de onderwijsbond van het CNV, dus probeerde ze telkens de discussie in de richting van de arbeidsvoorwaarden te duwen, maar daar stak de gespreksleider gelukkig een stokje voor. Verder beperkte de rol van Barth zich tot spek en bonen.

Mariëtte Hamer probeerde Verbrugge tot inkeer te brengen door er op te wijzen dat in de huidige samenleving kinderen andere competenties nodig hebben. Een weinig gelukkig verweer temeer daar ze in haar toelichting niet verder kwam dan ``je moet kunnen communiceren en netwerken''. Verbrugge, in reactie daarop, en nu citeer ik letterlijk: ``Wat een kind in zijn ontwikkeling behoeft is in de loop der tijd helemaal niet zoveel veranderd. Dat kunnen wij wel willen en dat kan de PvdA met zijn maakbare samenleving allemaal wel wensen maar de dingen die nodig zijn om van iemand een goed functionerend stabiel mens te maken die blijven. Mensen die jong zijn hebben er recht op te merken wat ze waard zijn vakinhoudelijk en dat geldt voor iemand die goed kan timmeren en voor iemand die aanleg heeft voor Latijn en Grieks. Als je dat niet biedt worden die mensen instabiel en agressief en dat worden niet de mensen die onze samenleving kunnen dragen.''

Hamer bepleitte dat het vak weer terug moest naar de leraar en dat er ook meer aandacht moest komen voor vakkennis, maar daar bracht Verbrugge tegenin dat we zoiets wel kunnen willen, maar dat dit al lang niet meer mogelijk is. Mijn vakkennis, zei ze (ik schatte haar begin dertig), is nog maar de helft van die van mijn oudere collega's en wat de leraren betreft die nu het onderwijs binnenkomen, die weten nog veel minder.

Hamer verdedigde zich met de opmerking dat de politiek gaat over wát, en niet over hóe er geleerd moet worden. Daarin vergiste ze zich. Ritzen en Wallage die aan de wieg hebben gestaan van het studiehuis, beoogden daarmee wel degelijk in te grijpen in de wijze waarop scholieren moesten gaan leren. Meer zelfstandig zodat ze het straks op hogeschool en universiteit beter zouden doen. Terwijl we overigens daar ook toen al zagen hoe het onderwijs juist steeds schoolser werd aangepakt om daarmee het rendement te verbeteren. Een werkwijze die voor studenten te weinig gestructureerd werd geacht moest dus geschikt zijn voor scholieren.

Was Verbrugge nu een aartsconservatieve, verzuurde lerares? Bepaald niet. Een lerares met wie elke school in mijn ogen blij moet zijn. Jammer genoeg heeft ze besloten het onderwijs te verlaten. Ik weet niet wat ze is gaan doen, maar laten we hopen dat ze de politiek is ingegaan. Want wat zou het onderwijs er anders en beter uit zien als de Tweede Kamer enkele Verbrugges rijk was geweest.

lgm.prick@worldonline.nl