Blitzbriv

De Jiddische cultuur is springlevend, maar de nieuwe Amsterdamse hoogleraar Jiddische taal en cultuur Shlomo Berger ziet dat de Jiddische taal een afnemend aantal sprekers heeft.

`HET JIDDISCH IS DOOD.' Shlomo Berger, die op 2 november aan de Universiteit van Amsterdam zijn oratie uitsprak, maakt zich geen illusies. Jiddischisten bedenken nog wel Jiddische termen voor moderne woorden – ``een e-mail is bijvoorbeeld een blitzbriv'' – maar hij ziet genoeg aanwijzingen dat de groep die het Jiddisch als omgangstaal gebruikt aan het uitsterven is. De enige Jiddische krant in Israël is een weekblad geworden, net als de New Yorkse krant Forverts!, en de Jiddische literatuur is tegenwoordig alleen nog het werk van oude mannen. ``Hooguit nog een miljoen'', schat Berger het afnemende aantal gebruikers.

Niet getreurd, meent Berger. ``De Jiddische cultuur leeft volop.'' Klezmermuziek is populair, een schrijver als Isaac Bashevis Singer doet het nog steeds goed en ook op de universiteit is er genoeg belangstelling. ``Mijn college `Bijbel en/in Jiddisch' voor contractstudenten had binnen drie dagen al zestien inschrijvingen.'' Verder heeft hij twee promovendi, die zich met een Jiddische krant uit zeventiende eeuws Amsterdam en Jiddische historiografie bezighouden. ``Een derde kandidaat heeft zich net met een promotievoorstel gemeld.''

Het Jiddisch stamt uit wat nu Duitsland is, maar over de precieze herkomst bestaat nog onzekerheid, zegt Berger. ``In het Rijngebied waren al in de zesde en zevende eeuw joodse gemeenten, maar er zijn ook geleerden die Elzas-Lotharingen als bakermat noemen vanwege de Romaanse elementen in het Jiddisch. Ook is het mogelijk dat de taal in Beieren is begonnen, omdat er fonologische overeenkomsten zijn tussen het Beiers en Jiddisch.''

Het is waarschijnlijk begonnen met het vertalen van Hebreeuwse woorden uit de bijbel, waardoor een soort Joods Duits ontstond. Voor het schrift gebruikten de joden de Hebreeuwse letters. Tot de veertiende en vijftiende eeuw was het Jiddisch een dialect als de andere Duitse dialecten, om volgens Berger daarna als ``een teken van groeiend zelfvertrouwen van de joden'' als aparte taal verder te gaan. Emigrerende joden die de armoede en onderdrukking in de Duitse vorstendommen probeerden te ontvluchten, zorgden voor de verspreiding van de taal. Langzamerhand ontstonden hierna twee soorten Jiddisch: het West-Jiddisch, dat de joden in West-Europa spraken, en het Oost-Jiddisch, dat de joden in de shtetls van Oost-Europa spraken en dat veel Slavische leenwoorden kende.

In de tweede helft van de achttiende eeuw begon de West-Europese joodse elite zich onder invloed van de Verlichting tegen het Jiddisch als spreektaal te keren. Zij meenden dat het Jiddisch de emancipatie van de vaak in armoede levende Asjkenazische joden in de weg stond. Hun oplossing: stoppen met het spreken en preken in Jiddisch – voor niet-joden toch maar een rare brabbeltaal – en alleen nog maar de taal spreken van het land waar ze woonden.

In Nederland, waar veel Asjkenazische joden in de zeventiende en achttiende eeuw naartoe waren getrokken, bemoeide vanaf het begin van de negentiende eeuw ook de overheid zich met de zaak. Koning Willem I verklaarde bij wet het Nederlands tot de enige officiële taal; er kwam een bepaling dat alleen rabbijnen die in Nederland waren onderwezen, aangesteld mochten worden en tot slot werd om de acculturatie en integratie te bevorderen ook het onderwijs in het Jiddisch verboden. Zo kwam snel een einde aan het West-Jiddisch.

zuiveringen

Het Oost-Jiddisch hield het langer uit. In de negentiende eeuw introduceerden emigranten uit Oost-Europa hun taal ook in West-Europa. Maar een eeuw later, na de stalinistische zuiveringen in de Sovjet-Unie en de vernietiging van de joodse cultuur door de nazi's, was ook die taal vrijwel verdwenen. De stichting van de staat Israël in 1948 veranderde daar niets aan. Het Jiddisch was in de ogen van de bestuurders van de nieuwe staat de taal van de diaspora, in Eretz Israël hoorden de joden Hebreeuws, hun `oorspronkelijke' taal, te spreken.

Berger, geboren in Israël, sprak met zijn ouders wél Jiddisch. ``Niet uit principe of ideologie, maar gewoon omdat het makkelijker was. Mijn ouders kwamen uit Polen en mijn moeder sprak niet zo goed Hebreeuws, vandaar.'' Joodse studies in het algemeen en het Jiddisch in het bijzonder waren dan ook niet Bergers eerste werkterrein. ``Ik heb klassieke talen en oude geschiedenis gestudeerd.'' Begin jaren negentig kwam hij met een beurs naar Nederland om zijn proefschrift Revolution and Society in Greek Sicily tot een boek te bewerken. Hij kon het echter niet laten om ook in de Bibliotheca Rosenthaliana van de Universiteit van Amsterdam rond te struinen. Hier stuitte hij op teksten over sefardische joden die zich in de zeventiende eeuw met de Griekse en Romeinse cultuur bezighielden. Deze vondst leidde niet alleen tot een studie over de klassieke redekunst en de sefardische joden in Amsterdam, maar ook contact met het echtpaar Fuks. ``Rena Fuks-Mansveld was hoogleraar hedendaags jodendom, haar man Leo conservator van de Rosenthaliana. Als Oost-jood publiceerde hij over Jiddisch. In de jaren vijftig heeft hij voor Meulenhoff een bloemlezing van de Jiddische literatuur samengesteld. Toen Rena Fuks-Mansveld erachter kwam dat ik Jiddisch sprak, zei ze dat er voor iemand als ik veel werk te doen was. Ze heeft me toen overgehaald om me met Jiddisch en de Asjkenazische joden bezig te gaan houden.''

joodse studies

De belangrijkste studiecentra voor het Jiddisch zijn in Jeruzalem, Trier, Düsseldorf en aan de Amerikaanse oostkust. Berger wil, met steun van de Stichting Menasseh ben Israel Instituut, die zijn leerstoel betaalt, Amsterdam aan dit rijtje toevoegen. ``Maar wat we hier doen moet ook belang hebben voor de wetenschap buiten joodse studies. Joodse studies is geen aparte discipline. Het hoort een geïntegreerd onderdeel te zijn van de humaniora.''

Studie van het Jiddisch heeft bijvoorbeeld ook nut voor algemene taal wetenschap, zegt hij. ``Het was de taal van een volk dat over heel Europa was verspreid. Door te bestuderen wat de contacten met lokale talen met het Jiddisch hebben gedaan kom je meer te weten over het systeem van taal.''

Zelf houdt hij zich de laatste tijd bezig met parateksten. De term is van de Franse literatuurwetenschapper Gerard Genette en slaat op teksten in een boek die niet tot het verhaal zelf behoren. Berger: ``Denk aan titelpagina's, opdrachten, flapteksten, voorwoorden en inleidingen. Mijn studie is niet alleen van belang voor inzicht in de Jiddische cultuur maar ook voor de boekwetenschap.''

Berger bestudeert de parateksten van vijfhonderd Jiddische titels die in de 17e en 18e eeuw in Amsterdam zijn gedrukt. ``Het gaat om allerlei soorten boeken: gebedenboeken, bijbelcommentaren, ethische literatuur, maar ook verhalen en gedichten.'' De Jiddische boekenwereld was klein, vertelt Berger. ``Mensen als Moshe Frankfurter, Chaim Druker en Shlomo Proops waren financier, uitgever, corrector en boekverkoper ineen en werkten begin achttiende eeuw met en tegen elkaar.'' Berger geeft het voorbeeld van uitgever Josephus Athias die geld had geïnvesteerd in de integrale bijbelvertaling van collega Uri Feibush Halevi. ``Maar Athias was niet tevreden met het resultaat en had snel een concurrerende uitgave gemaakt. Dat leidde tot een rechtszaak, waardoor we weten hoe groot de oplage was. Beide uitgaven bestonden uit 6000 exemplaren.'' Over oplagecijfers is verder niets bekend, vervolgt Berger. ``Om vast te stellen of een titel een bestseller was, kijken we naar het aantal verschenen edities. Van Tsene Rene, een vooral bij vrouwen populaire verzameling bijbelverhalen genoemd naar een vers uit het Hooglied, zijn in Amsterdam tussen 1650 en 1800 niet minder dan vijftien verschillende uitgaven verschenen.''

Kenmerkend voor de Jiddische parateksten is volgens Berger de directe taal. ``Ze zijn niet literair en richten zich rechtstreeks tot de potentiële koper en lezer.'' Chaim Druker verklaart bijvoorbeeld in het voorwoord van zijn Tsene Rene waarom zijn uitgave zonder plaatjes is. ``Andere uitgaven hadden die wel, maar die zijn volgens Druker kinderspel. Zijn uitgave is bestemd voor volwassenen die een goed uitgegeven tekst kunnen waarderen. Verder legt hij uit dat hij vroegere uitgaven heeft gelezen, maar hun taal niet goed, want soms onbegrijpelijk heeft gevonden. Hij wil een uitgave in de taal zoals hij nu gesproken wordt. Hij heeft de tekst dus als het ware hertaald.''

Ook Josephus Athias liet in zijn voorwoord bij zijn concurrerende bijbelvertaling weten dat hij goed op de taal had gelet. Berger: ``Hij stond op het gebruik van een soort ABJ, een keurig algemeen beschaafd Jiddisch, dat ze ook in Oost-Europa konden begrijpen. Anders, vreesde hij, zou zijn uitgave zeker een financiële flop worden. Daarom wilde hij per se een corrector die de tekst van alle Nederlands Jiddische invloeden zuiverde. Dus geen vlaasj zoals ze in Amsterdam zeiden maar fleish.''

Het geval van de twee concurrerende bijbelvertalingen maakt goed duidelijk wat het belangrijkste doel van een paratekst was. Berger: ``Het boek moest aan de man gebracht worden.'' Alle middelen mochten daarbij worden ingezet. Beide uitgevers haalden daarom rabbijnen uit binnen- en buitenland over om in gedrukte vorm hun zegen aan het werk te geven. Verder benadrukten ze de matige kwaliteiten van vroegere uitgaven. Feibush achtte het verstandig om nog eens Athias voor zijn verraad aan te vallen, Athias meende er goed aan te doen om zíjn vertaler op de vertaler van de concurrent af te laten geven. Het mocht niet baten, zegt Berger met een grijns. ``Beide uitgaven werden een commerciële flop.''