Verliefd zijn is een gezelschapsspel

Altijd liep hij er omheen, en nu móest Atte Jongstra aan Vestdijks `Terug tot Ida Damman' beginnen. Kil doktersproza, vond hij, maar wel in één ruk uitgelezen. Deze week discussieert de Leesclub over het verliefd zijn van jongetjes als Anton.

Om sommige boeken loop je met een boog heen. Je hebt ze gekocht omdat je meende er iets mee te hebben, je kijkt nu en dan eens naar de rug in de boekenkast, slaat wel eens een pagina op en laat het oog over de regels weiden, maar op een of andere manier is het nog buiten bereik. Te ingewikkeld misschien. Hoe lang zou het hebben geduurd voor ik mij in staat achtte Rabelais te lezen, of Montaigne? Ik had al een heel boek over Multatuli-vereerders geschreven, voor ik het werk van de meester zelf echt begon te lezen.

Om andere boeken loop je met een nog veel wijdere boog heen. Je hebt uit andermans stukken over zo'n boek begrepen dat het helemaal binnen je bereik ligt. Ik moest wel zo ongeveer Vestdijks Terug tot Ina Damman (1934) lezen, naar ik begreep. Het ging helemaal over de wanhopig verliefde puberjongen die ik was geweest. En dus las ik het niet, zoals ik elke reünie van mijn middelbare school meed omdat ik daar mijn eigen, eerste belle dame sans merci tegen het lijf zou lopen.

Op de laatste reünie was een foto gemaakt, waarop mijn oude klasgenoten. Hij werd me door mijn middelbare schoolvriend S. toegemaild. Zij stond er ook op. Nu trok ik toch de stoute schoenen aan. Ik liep naar de boekenkast, pakte Terug tot Ina Damman en las het in één ruk uit.

Je moet eenmaal beginnen en vaak loopt de eerste keer slecht af, zeker in de liefde. Zo ging het mij, zo gaat het Anton Wachter in een van Vestdijks vroegste werken. Ik ga niet het hele boek samenvatten, dat is door mijn voorgangers in deze rubriek al in den brede gedaan, elk op hun eigen manier. Arjen Fortuin noemde Terug tot Ina Damman met achting `een kinderboek' en hij heeft gelijk. Elsbeth Etty zag er de wording van een kunstenaarschap in, daar voel ik minder voor. Ze had de terugkijkbril opgezet, alsof we in retrospectief wel bijna verplicht zijn het enorme Vestdijk-oeuvre als kiemcel in een van zijn eerste boeken terug te vinden. Maar laat ik eerlijk zijn. Misschien ontsla ik Etty wel als ideaal-lezer van Terug tot Ina Damman wegens mijn eigen jeugd. Ik kan dit boek niet anders opvatten dan het verhaal dat ik zelf in werkelijkheid beleefde: de geschiedenis van een slechts fysiek geslachtsrijp jongetje dat jarenlang geestelijk in de war blijft omdat het meisje van zijn dromen hem niet wil en naar rigoureuze middelen (negeren, hulp van medemeisjes) moet grijpen als ze hem dat maar steeds niet aan zijn verstand kan peuteren. Traumatisch voor zo'n jongetje, natuurlijk. Ik heb er jaren aan geleden. Maar moet zo'n trauma iemand noodzakelijkerwijs tot schrijverschap brengen? Over mijn eigen Ina Damman heb ik nooit geschreven, in tegenstelling tot een veel latere liefde die ik wel altijd als `muze' heb beschouwd, hoe ouderwets en romantisch dat ook moge klinken.

Wat ik vond van Vestdijks versie van gebeurtenissen die zoveel jongetjes zijn overkomen? Het is een prachtig boek, ik kan niet anders zeggen, met zeer fraaie beeldspraken als bij voorbeeld: ,,`Verliefd' was een begrip, dat men elkaar als balletje toewierp, en weer afpakte, een gezelschapsspel van jongens en meisjes in de lente. Men begon met te zeggen: ik ben verliefd, en keek dan naar een meisje uit, zoals men tenslotte bij ieder spel eerst de regels opstelt en de benodigdheden aanschaft, om dan pas de deelnemers bij elkaar te trommelen.''

We lezen een haarscherpe analyse van het middelbare schoolbestaan van Anton. Terug tot Ina Damman is soms romantisch van stijl zoals meer boeken in de jaren dertig dat waren, van auteurs als Arthur van Schendel of Aart van der Leeuw. Tegelijkertijd is het geschreven met de klinische blik van de arts die Vestdijk óók was. Terug tot Ina Damman is van een schoonheid die bijna ongenaakbaar is, afwerend. Van Vestdijks gedichten die ik vroeger las herinner ik me hetzelfde: briljant, een tien voor techniek, een negen voor beeldenwerk en ritme. Het is echter vaak alsof de auteur Vestdijk zo hoog boven de wateren zweeft dat hij niet weet over te brengen hoe het voelt om nat te zijn. Vaak schrijft hij doktersproza, terwijl ik liever dat van de patiënt lees. Niet in alle Vestdijk-romans is dat zo – De redding van Fré Bolderhey (1948) of De ziener (1959) herlees ik om de zoveel tijd, waarschijnlijk omdat het hier patiënten betreft die dicht op de huid worden gezeten. Terug tot Ina Damman ervaar ik als koel, zo niet kil, bij al mijn bewondering voor dit volstrekt niet gedateerde boek uit 1934.

Zou er nog een reünie komen van mijn oude school? Ga ik daar ditmaal heen? Ik weet het niet. In denk dat als je het Anton Wachter zou kunnen vragen, dat hij er ook geen antwoord op heeft. We zouden voor haar staan, die ene, ouder, grijzer.

`Heb je ooit geweten dat ik jaren later nóg op jou?'

Zouden we dat durven vragen?

Ik zie er slechts een scène met een mond vol tanden bij.