Persstemmen Over rellen Parijs

Le Monde

De cijfers zijn triest en veelzeggend: sinds 1 januari werden in de Franse steden bijna 70.000 gewelddadigheden opgetekend. In de afgelopen tien maanden zijn volgens deze meest recente telling van de inlichtingendienst meer dan 28.000 auto's in brand gestoken en hebben 442 confrontaties plaatsgevonden tussen bendes. Weliswaar is voortdurend sprake van geweld in de steden, maar in de Parijse voorsteden is het nu erger geworden. Met name in Seine-Saint-Denis, dat nu al zeven nachten met opstanden heeft doorgemaakt sinds de dood van twee jongeren op 27 oktober in Clichy-sous-Bois.

Dominique de Villepin zei terecht op 2 november dat er voor de toestand in de buitenwijken geen wonderoplossing bestaat. Deze open deur maakt duidelijk hoe machteloos de overheid is geweest, zowel onder rechts als onder links bewind.

Maar de geweldsuitbarstingen naar aanleiding van het drama van Clichy-sous-Bois laten bovendien zien hoe wanordelijk het bestuur is. Nicolas Sarkozy heeft nu de taal gesproken van het uiterst rechtse deel van zijn kiezers, waarschijnlijk in een poging om hun gunst te herwinnen, ontevreden als zij waren met zijn instemming met stemrecht voor immigranten bij de gemeenteraadsverkiezingen.

Het is begrijpelijk dat hij als minister van Binnenlandse Zaken probeert een einde te maken aan het geweld in de steden. Maar als hij, zoals hij zegt, de bezem door de voorsteden wil halen en jacht wil maken op het gespuis, dan bereikt hij precies het tegenovergestelde van wat hij beoogt met de doortastendheid die hij tentoonspreidt.

Zijn woorden worden opgevat als stigmatisering van alle jongeren in de steden. Hij zorgt zo helemaal niet voor herstel van orde in de buitenwijken, maar stimuleert juist de aaneenschakeling van stedelijk geweld.

Behalve hun gekissebis over vrijwel alle punten, waardoor hun strijd voor de presidentsverkiezingen van 2007 wordt verhevigd, streven Sarkozy en De Villepin twee tegengestelde strategieën na in het bestrijden van het geweld in de steden. De minister van Binnenlandse Zaken praat over hard aanpakken en over rechtvaardigheid, maar het lijkt of hij in de praktijk alleen maar het eerste doet. En De Villepin kondigt het zoveelste hulpplan aan voor de buitenwijken.

Het wordt tijd om een serieuze crisis nu eens serieus aan te pakken.

Le Figaro

Vijftien jaar is verstreken. Van Tapie tot Borloo hebben de `stedelijke renovatieplannen' en andere `spoedprogramma's' miljarden – hoeveel precies? – in de voorsteden gepompt. Van Chevènement tot Sarkozy hebben de ministers van Binnenlandse Zaken tegen de `losgeslagen kinderen' of het `tuig' het ene `heroveringsplan' na de andere `operatie vuistslag' op touw gezet. Maar noch het één noch het ander is erin geslaagd de angstaanjagende voortgang van het geweld in de woonbuurten tot staan te brengen.

Om de twee jaar, zoals nu, trekt een opvallende golf van geweld, een gruweldaad die erger is dan de rest, de volle aandacht. Maar al heel gauw hervindt het officiële Frankrijk zijn zekerheden – O, de overwinning van de blacks-blancs-beurs (zwarten-blanken-Noord-Afrikanen) in 1998, dat hoogtepunt van ons `integratiemodel'.

Maar kijk eens naar de cijfers: 200 `moeilijke' wijken in de jaren negentig, meer dan 900 nu. Bijna 30.000 voertuigen in brand gestoken sinds het begin van dit jaar. Drieduizend per maand! Honderd per dag! En zo wordt, voor miljoenen van onze medeburgers die gevangen zitten in gebalkaniseerde voorsteden, het dagelijks leven tot een hel. Dan moeten wij niet raar opkijken dat zij er in de verkiezingen telkens een grote zooi van maken.

Als onze politieke leiders nu, in plaats van `republikeintjes' tegen (Europese) `gemeenschappertjes' te spelen, om te beginnen eens het probleem bij de wortel aanpakten? Want wat Frankrijk nu meemaakt, zijn wél de gevolgen van een onbeheerst immigratiebeleid. Door in 1974 de sluizen van de gezinsimmigratie open te zetten, die zij vervolgens hebben laten uitgroeien tot een immigratie van mensen met rechten – kinderbijslag, bijstand, ziekenfonds –, hebben de opeenvolgende regeringen een toestand gecreëerd waarin de integratiemechanismen hun grenzen hebben bereikt. De toestroom van immigranten – legaal zowel als clandestien – moet dringend worden beteugeld, anders zullen over vijftien jaar de kinderen van de mensen die nu aankomen de `wijken' in brand steken.

Wat komt na die basisvoorwaarde? Aan de slag! Om te beginnen doortastend optreden, want de verloedering van de buurten wordt gevoed doordat de staat het laat afweten tegenover de bendeleidertjes. En dan preventie, mits men maar niet in de val van de verkeerde oplossingen trapt: welke prijs zullen de imams morgen vragen voor hun `bemiddeling'? Opvoeding, uiteraard, die niet moet nalaten de `jongeren' bij te brengen dat zij trots mogen omdat zij Fransen zijn. Scholing, beslist, want om een plaats in de maatschappij te verwerven is er nooit iets beters gevonden dan werk. En bovenal moed: de huidige crisis is het resultaat van ruim drie decennia blindheid; het gevaar is dat er minstens zoveel tijd nodig is om haar op te lossen.

Le Nouvel Observateur

Een eind maken aan de gettovorming, aan de werkloosheid, aan de negatieve discriminatie, aan de beslotenheid van de religieuze gemeenschappen, aan de drugshandel als overlevingseconomie, aan het beestachtige optreden – dat alles vergt meer dan losse acties tegen `georganiseerde bendes' en `criminele netwerken' door een regering die al vaak een beroep heeft gedaan op het ministerie van het Woord. Als wij niet nu de noodklok luiden, zal dit oproer zich als een olievlek uitbreiden naar buitenwijken van andere steden dan Parijs. Dat zou voldoende zijn om Jean-Marie Bockel en François Bayrou gelijk te geven. De senator en burgemeester van Mulhouse heeft een paar dagen geleden opgeroepen tot afspraken tussen links en rechts over het `dossier-voorsteden', want volgens hem zijn beide verantwoordelijk. De voorzitter van de Union pour la Démocratie Française oordeelde gisteren dat deze toestand een ,,gemeenschappelijk nationaal front'' vereist. Een gemeenschappelijk front dat – voor een keer – solidariteit zou moeten vergen van alle partijen, de rijken en de armen, en vooral van de gemeenten die iedere sociale vermenging afwijzen met de gemeenten waar alle problemen bij elkaar komen.

Anders zullen hele stukken van onze samenleving zich afscheiden.

Libération

Hoe ontoelaatbaar ook, hun geweldpleging is deels niet meer dan de uiting van een onvrede die wordt gevoed door uitsluiting, onrechtvaardigheid en ellende. Ook al kunnen sommigen van hen worden gemanipuleerd.

De eerste fout zou zijn om mee te gaan in de escalatie van het geweld, waar sommigen belang bij hebben: de bendeleiders die hun illegale handel beschermen, de islamisten die verlegen zitten om jihad-vlees, en niet te vergeten de pleitbezorgers van racistisch extreem-rechts. Blinde, doelloze repressie zou alleen maar aan wat tot dusverre niet meer is dan een uiting dat men tabak heeft van de – echte of denkbeeldige – onrechtvaardigheid, de aura van een opstand verlenen.

Een tweede fout zou zijn dat de staat een terrein prijsgeeft dat hij zelf door zijn (gebrek aan) optreden en zijn onhandigheid tot een mijnenveld heeft gemaakt, en dat hij een situatie die al rot genoeg is, nog verder laat verkommeren. Wanneer kogels in het rond vliegen en scholen in vlammen opgaan, dient de wet het geweldsmonopolie te handhaven.

Er mogen niet hele gebieden worden overgelaten aan geweldpleging door een minderheid die in de eerste plaats het leven van de bewoners van de wijken verpest. Ook niet aan het gezag van instanties, hetzij van de `gemeenschap' hetzij religieus, ten detrimente van het moedige optreden van hen – burgemeesters, bemiddelaars, het maatschappelijk middenveld – die hun best doen om daar in de eerste plaats de republikeinse waarden in praktijk te brengen. Hén moet de staat steunen, door hun de – om te beginnen financiële – middelen te geven, door de orde te herstellen, als men wil dat die blijft bestaan.